Matteus 28 : 1 – 10 2.0

Gemeente,

Het was nog vroeg in de ochtend. De nacht week, maar het licht had de wereld nog niet volledig bereikt. Schemering lag over de hof. Twee vrouwen gingen op weg. In hun handen droegen zij specerijen. Hun voeten kenden de weg naar het graf… net zoals onze voeten de weg naar het graf maar al te goed kennen. Hun hart wist wat hen daar wachtte… net zoals wij maar al te goed weten wat daar op ons wacht : een koude, koude rots, een verzegelde steen, het definitieve zwijgen van de dood.

De steen was niet alleen zwaar; hij was verzegeld. Romeinse macht had hem gesloten. Wat gestorven was, bleef gestorven. Zo werkt onze wereld. Wat in het graf ligt, komt niet terug.

En toch…

En zie, er vond een grote aardbeving plaats, want een engel van de Heere, die uit de hemel neergedaald was, ging ernaartoe, rolde de steen van de opening weg en ging erop zitten” (Matteüs 28:2). De aarde beeft. Niet omdat mensen ingrijpen, maar omdat God spreekt. De steen wordt weggerold. Niet om Jezus eruit te laten, maar om ons te laten zien dat Hij er niet meer is.

De vrouwen komen dichterbij. Zij zoeken een dode. De engel spreekt hen aan: “U hoeft niet bevreesd te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was” (Matteüs 28:5). Dat is de aardse werkelijkheid: Jezus, Die gekruisigd was. Geen schijn, geen verhaal, geen illusie, maar een echte dood.

En dan het beslissende woord: “Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft” (Matteüs 28:6).

Kom. Zie. De plaats. De leegte is geen mystiek symbool. Het is een feit. Het graf is werkelijk leeg.

De opstanding is geen innerlijke ervaring van de discipelen. Zij is geen voortleven in herinnering. Het lichaam dat aan het kruis hing, dat werd neergelegd in het graf, datzelfde lichaam is opgewekt. Later zal Jezus tegen Thomas zeggen: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek die in Mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig” (Johannes 20:27). Hij nodigt uit tot aanraking. Geen geestverschijning. Geen abstract idee. Maar vlees en been, getekend en levend.

Wat daar gebeurde in de hof, in de vroege ochtend, is de doorbraak van een nieuwe werkelijkheid. Paulus zegt: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn” (1 Korinthe 15:20).

Eersteling. Dat betekent: Hij staat niet alleen op voor Zichzelf. Hij staat op als vertegenwoordiger (de tweede Adam) van de nieuwe mensheid. Als begin van een oogst. Wat met Hem gebeurde, is het begin van wat met allen zal gebeuren die in Hem zijn.

Daar, in de schemering, bij de koude rots en de weggerolde steen, heeft God de dood doorbroken. Niet in een gedachte. Niet in een gevoel. Maar in de geschiedenis. In een werkelijk lichaam. In Jezus Christus. Het is werkelijk gebeurd!

Nu, wij weten maar al te goed wat een graf is. Een graf is het punt waar onze woorden ophouden. Waar onze handen loslaten. Waar stemmen zwijgen. Het is de plaats van verzegeling. Zoals die steen in de hof: zwaar, gesloten, onwrikbaar.

Op sommige begraafplaatsen staat een oude inscriptie (ik herinner dit uit mijn jeugd in de Ardennen): Aujourd’hui nous, demain vous. Vandaag wij, morgen u. Dat is de nuchtere waarheid van ons bestaan. Wij leven met afspraken, plannen, verwachtingen… maar onder alles ligt die ene zekerheid: wij zullen sterven.

De vrouwen bij het graf wisten dat ook. Daarom brachten zij specerijen mee. Zij verwachtten geen wonder. Zij verwachtten ontbinding. Hun liefde was wel trouw, maar zonder hoop op omkeer.

Zo kijken wij ook naar het graf. Als naar het einde. Als naar een muur waar niemand doorheen gaat.

Maar Paasmorgen zegt: dat einde is niet het laatste woord.

Wanneer de engel zegt: “Hij is hier niet, want Hij is opgewekt” (Matteüs 28:6), dan wordt niet alleen een lichaam gemist. Dan wordt een werkelijkheid doorbroken. Het graf, dat altijd gesloten bleef, wordt opengebroken door God Zelf.

De dood is daarmee niet ontkend. Jezus is werkelijk gestorven. Zijn hart heeft opgehouden te kloppen. Zijn lichaam werd koud. De speer doorboorde Zijn zijde. Het graf was geen toneelstuk.

Juist daarom is wat er gebeurt zo ontzagwekkend: de dood heeft Hem niet kunnen vasthouden.

Paulus verwoordt het als een overwinningsroep: “En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” (1 Korinthe 15:54–55).

Dat is geen poëtische overdrijving. Het is de uitleg van dat lege graf.

De dood is er nu wel nog. Wij begraven nog steeds. Wij dragen nog steeds kisten. Wij voelen nog steeds het gemis dat als die koude steen op ons hart ligt. Maar de dood is ontmachtigd. Zijn prikkel is gebroken. Zijn overwinning is ontmaskerd als schijn.

Romeinen 6:9 zegt: “Wij weten dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem.”

Hoor dat goed: de dood heerst niet meer. Hij heeft zijn greep verloren. Wat hij bij Lazarus nog kon doen (hem weer terugroepen in een sterfelijk bestaan dat opnieuw eindigde), kan hij bij Christus niet meer. Dit nieuwe leven is onomkeerbaar. Onverwoestbaar.

Jesaja had het al voorzegd: “Hij zal de dood voor eeuwig verslinden, en de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen” (Jesaja 25:8). Wat in de hof begon, is de vervulling van dat woord. God zelf verslindt de dood.

Zie opnieuw die steen. Hij werd weggerold. Niet door mensenhanden. Niet door stille erosie van de tijd. Maar door een ingrijpen van boven. Een aardbeving. Een engel. God breekt open wat voor ons gesloten blijft.

Dat betekent dat het graf niet langer een eindstation is, maar een doorgang. Niet omdat wij zo sterk geloven. Niet omdat wij moediger sterven. Maar omdat Christus als Eersteling erdoorheen is gegaan.

Eersteling! Dat woord keert terug. Wat met Hem gebeurde, staat niet los van ons. Hij is geen uitzondering die de regel bevestigt. Hij is het begin van een nieuwe mensheid.

Daarom is het graf voor wie in Hem zijn, niet meer een afgesloten ruimte. Het is een plaats waar God Zijn belofte bewaart. Zoals een akker het zaad bewaart totdat het opkomt. Paulus gebruikt dat beeld elders: wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, wordt opgewekt in onvergankelijkheid.

Dat verandert, als christen, onze blik op de kist, op de steen, op de aarde die wordt teruggeworpen. Het blijft aangrijpend. Het blijft scheuren. Jezus huilde bij het graf van Lazarus. De opstanding ontkent onze tranen niet.

Maar zij plaatst er een grens aan!

De verzegeling is verbroken. De geslotenheid is opengebroken. Wat wij als definitief ervaren, blijkt voorlopig te zijn.

Dat is geen goedkope troost. Het is een harde, objectieve werkelijkheid die eerst buiten ons om heeft plaatsgevonden. In die vroege morgen, toen niemand het verwachtte, heeft God het graf van binnenuit ontmanteld.

Daarom kan Paulus het uitroepen. Daarom kan de gemeente zingen. Niet omdat wij de dood begrijpen, maar omdat Christus hem heeft overwonnen.

De dood is niet verdwenen uit onze ervaring, maar hij is onttroond in Gods werkelijkheid. Hij is de laatste vijand die zijn beslissende slag heeft verloren.

En daarom, wanneer wij bij een graf staan en de koude steen aanraken, dan staan wij niet meer bij een eindpunt zonder horizon. Wij staan bij een plaats waar de Eersteling van ons allen is voorgegaan.

Wat daar in de hof gebeurde, heeft het karakter van al onze graven veranderd.

Het graf is niet langer het laatste woord.

Wat betekent dit nu voor jou? Voor ons, die nog leven tussen geboorte en begrafenis? Tussen hoop en broosheid?

De engel zei het tweemaal. Eerst tot de vrouwen bij het graf: “U hoeft niet bevreesd te zijn” (Matteüs 28:5). En even later zegt de opgestane Heere Zelf: “Wees niet bevreesd” (Matteüs 28:10).

Dat woord valt niet in een veilige wereld. Het wordt gesproken tegen mensen die zojuist een aardbeving hebben meegemaakt. Tegen vrouwen die kwamen om een dode te verzorgen. Tegen harten die wisten wat verlies is.

Vreest niet.

Waarom niet? Omdat het graf leeg is. Omdat Christus leeft. Omdat de dood niet meer heerst.

Onze angst zit diep. Angst voor het moment dat ons lichaam het begeeft. Als mens takelen we voortdurend af naar de afgrond. Angst voor het loslaten van wie wij liefhebben. Angst voor die ene stap die niemand voor ons kan zetten. Het graf staat als een grenspaal in ons bewustzijn. Aujourd’hui nous, demain vous. Vandaag zij, morgen wij.

Maar Paasmorgen spreekt een ander woord over ons leven.

Paulus zegt in Romeinen 8:11: “En als de Geest van Hem Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, dan zal Hij Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont.”

Hoor hoe concreet dat is: uw sterfelijke lichamen. Niet alleen uw ziel. Niet alleen uw herinnering bij God. Maar dit lichaam (kwetsbaar, verouderend, getekend) zal levend gemaakt worden.

Zoals bij Christus.

De opstanding is geen los wonder dat alleen Hem betreft. Hij is de Eersteling. Dat betekent: wat bij Hem zichtbaar werd, zal bij allen die in Hem zijn werkelijkheid worden. Zijn lege graf is de belofte van onze opstanding.

Dat geeft troost die dieper gaat dan gevoel. Want rouw is werkelijk. Het lege bed. De stoel die niet meer bezet wordt. De stem die zwijgt. De koude steen waarop je je hand legt.

De opstanding zegt niet dat dat niets is. Zij zegt dat het niet het laatste is.

Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, sterft niet meer. De dood heerst niet meer over Hem” (Romeinen 6:9). En wie aan Hem verbonden is, deelt in dat leven. Kolossenzen 3 zegt: “Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn… Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God” (Kolossenzen 3:1,3).

Verborgen! Dat betekent: nu nog niet zichtbaar in volle glorie. Wij dragen nog de tekenen van die sterfelijkheid. Wij worden nog ziek. Wij sterven nog. Maar ons leven is vastgelegd in Hem.

Daarom verschuift de beweging van angst naar zekerheid. Niet omdat wij sterk zijn. Niet omdat wij de dood aandurven. Maar omdat Christus hem is binnengegaan en eruit is teruggekeerd.

Wanneer Hij zegt: “Wees niet bevreesd” (Matteüs 28:10), dan spreekt Hij als Degene Die de sleutels draagt. Als Degene Die het graf van binnenuit kent… en heeft opengebroken.

Dat maakt vrij. Wij zijn vrij om te leven zonder kramp. Vrij om te sterven zonder wanhoop. Vrij om onze doden toe te vertrouwen aan God, niet als aan een leegte, maar als aan de Levende.

Het graf is voor wie gelooft geen eindpunt meer, maar een begin. Een doorgang naar de opstanding van het lichaam en het leven van de komende eeuw.

Daarom mag het licht van die nieuwe (paas)morgen over ons leven vallen. Niet als zachte stemming, maar als krachtige werkelijkheid. De steen is weggerold. De leegte is gezien. De Heere is ontmoet.

En daarom klinkt het tot ons, vandaag:

De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” (1 Korinthe 15:54–55).

Dat is geen zielige wens. Nee, dat is de verkondiging van paasmorgen!

Christus is werkelijk, lichamelijk opgestaan uit de dood. Het graf is niet langer het einde. Het is het begin van het nieuwe leven voor wie in Hem gelooft.

Vreest niet.

De dood heeft niet het laatste woord.

Jezus Christus leeft.

En wie in Hem zijn, zullen leven.

Amen.

Voorbede

Laat ons bidden.

Heere onze God,
Vader van onze Heere Jezus Christus,

Wij danken U dat U Uw Zoon uit de doden hebt opgewekt
en dat het graf niet het laatste woord heeft gekregen.
In de opstanding van Christus hebt U de dood overwonnen
en een nieuwe toekomst geopend voor allen die in Hem geloven.

Wij bidden U: laat het licht van Pasen schijnen in deze wereld,
waar nog zoveel duisternis is.
Waar oorlog heerst, waar mensen lijden,
waar onrecht en geweld het leven bedreigen…
daar bidden wij om Uw vrede en Uw ontferming.

Wij bidden voor Uw kerk over de hele wereld.
Geef dat zij met vrijmoedigheid het evangelie verkondigt:
dat Jezus Christus leeft
en dat in Hem vergeving en nieuw leven te vinden zijn.

Wij bidden voor allen die rouwen om een geliefde.
U kent het gemis, de leegte en de stilte die achterblijft.
Laat juist daar het evangelie van de opstanding
troost en hoop brengen.

Wij bidden voor wie ziek zijn,
voor wie zwak zijn geworden,
voor wie leven met angst voor de toekomst
of met de nabijheid van de dood.
Laat hen rust vinden in de levende Christus,
die de dood heeft overwonnen
en die zegt: “Ik leef, en u zult leven.” (Johannes 14:19, HSV)

Wij bidden ook voor ons eigen leven.
Geef dat wij leven uit de kracht van de opstanding,
dat wij niet gevangen blijven in angst of wanhoop,
maar wandelen in het nieuwe leven
dat U in Christus hebt gegeven.

Zo leggen wij onszelf en deze wereld in Uw handen,
in het vertrouwen dat Jezus Christus leeft
en regeert tot in eeuwigheid.

Om Zijn wil.

Amen.