Gemeente,
Wij leven in een wereld die zichzelf als vanzelfsprekend presenteert. Als ‘normaal’. We weten wie bovenaan staat — de rijken, de machtigen, wie succes heeft. En we weten wie onderaan staat, de ‘losers’. We geven waarde aan wat zichtbaar is, wat belangrijk is : kracht, zekerheid, vooruitgang : ‘als je maar wil, dan kan je het’. Wie zo vooruitkomt, telt. Wie achterblijft, verdwijnt.
Dat voelt ordelijk in onze wereld. Begrijpelijk. Logisch zelfs… ‘Normaal’.
En toch knaagt er iets.
Want hoe trouwer we deze orde volgen, hoe vaker we voelen dat er iets niet klopt. Alsof alles wel op zijn plaats lijkt, maar toch schuurt. Alsof de wereld wel werkt — maar niet is zoals het eigenlijk zou moeten zijn.
In de Babylonische Talmoed (Pesachim 50a) staat een kort verhaal. De zoon van rabbi Jehoshua ben Levi wordt ernstig ziek en zweeft op de rand van de dood. Wanneer hij weer bij kennis komt, vraagt zijn vader: “Wat heb je gezien?” En de zoon antwoordt: “Ik heb een omgekeerde wereld gezien — olam hafuch : de bovensten waren beneden, en de benedensten waren boven.”
Dan zegt zijn vader: “Mijn zoon, je hebt de heldere, zuivere wereld gezien — olam barur .”
Dat is een verrassend antwoord. De wereld die in de koortsdroom omgekeerd leek, blijkt niet verward, maar juist helder. Niet vreemd, maar waar. En daarmee komt onze zogezegde ‘normale’ wereld onder verdenking te staan. Alsof wat wij normaal noemen, niet het hele verhaal is.
Misschien helpt een beeld. In de serie Stranger Things (op Netflix) bestaat er een wereld naast onze ‘normale’ wereld die the upside down heet: een schaduwwereld onder de onze. Ze lijkt op onze wereld, maar alles is daar verdraaid, donker en ontwricht, met monsters. Die wereld bedreigt dan ook de onze. De schaduwwereld tegenover onze ‘normale’ wereld…
Maar stel nu dat de Schrift iets anders zegt. Niet dat er ergens een andere wereld is waar alles misloopt, maar dat wij het zijn die leven in die schaduwwereld, in die upside down, de ontwrichte wereld met hier en daar ‘monsters’. Een wereld die schijnbaar klopt aan de buitenkant, maar geen rekening houdt met wat werkelijk telt.
We merken dat zelf al, vaak zonder het zo te benoemen. Je kunt bijvoorbeeld alles op orde hebben in je leven — werk, zekerheid, aanzien — en toch vanbinnen leeg zijn. En aan de andere kant kun je falen volgens de maatstaven van de wereld en tegelijk een vreemde helderheid ervaren. Je kunt gezien worden en toch niet gekend zijn. En je kunt onzichtbaar leven, terwijl je bestaan meer gewicht heeft dan dat van wie voortdurend opvalt.
Alsof we leven in een wereld die echt lijkt, maar niet helemaal waar is. Alsof wij leven in de schaduwwereld, de upside down.
De Schrift spreekt precies daar. Niet om onze wereld een beetje bij te sturen, maar om haar te bevragen. Jezus zegt het zonder omwegen, de bijbelse upside down : “En zie, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.” (Lukas 13:30) Het is een uitspraak over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Over hoe God kijkt naar de wereld.
Het joodse begrip olam hafuch — de omgekeerde wereld — helpt ons dat te verstaan. Het zegt ons: onze manier van kijken is niet neutraal. Wij hebben geleerd waarde toe te kennen aan wat uiterlijk is, aan wat zichzelf kan handhaven. En juist daardoor missen we wat er werkelijk toe doet.
Prediker verwoordt dat scherp: “Alles heb ik gezien in de dagen van mijn vluchtige leven: er is een rechtvaardige die omkomt door zijn gerechtigheid, en er is een goddeloze die zijn leven verlengt door zijn kwaad.” (Prediker 7:15) Prediker kijkt — en zegt wat hij ziet in deze ‘normale’ wereld.
Dit is de wereld waarin wij leven: ordelijk, maar niet rechtvaardig. Begrijpelijk, maar niet helder. Misschien begint waarheid precies daar: bij het loslaten van wat wij altijd voor vanzelfsprekend hebben gehouden.
Dat gebeurt nergens beter dan in het verhaal dat Jezus vertelt over de rijke man en Lazarus. “En er was een zeker rijk man, die gekleed ging in purper en fijn linnen en elke dag vrolijk en schitterend leefde. En er was een zekere arme, met de naam Lazarus, die voor zijn poort lag, vol zweren.” (Lukas 16:19–20)
Alles aan deze opening ademt de orde die wij als ‘normaal’ ervaren. De rijke man leeft zoals iedereen van ons zou willen leven. Zijn rijkdom is zichtbaar, zijn leven is beschermd. Hij heeft een groot huis. Hij heeft een mooie poort. Zijn wereld is mooi afgebakend, overzichtelijk, veilig…
En Lazarus ligt ervoor, net buiten de poort op de stoep van het mooie huis!
Niet ver weg. Niet verborgen. Precies op de grens van de poort en de stoep.
Hij ligt daar niet omdat hij dat gekozen heeft. Niet als houding. Niet als levensstijl. Het overkomt hem. Hij is de ‘loser’ van deze wereld. Hij heeft niets waarmee hij zich kan afsluiten. Geen deur. Geen poort. Geen bescherming…
Maar hij heeft een naam. Dat is geen detail. Lazarus (Eliëzer) betekent: God helpt. In onze wereld (de upside down) lijkt die naam gelogenstraft. Want hij is hulpeloos, afhankelijk, overgeleverd. Alles wijst erop dat God hier helemaal niet helpt — tenminste, zo ziet het eruit.
Jezus vertelt dit verhaal zonder morele bijvoegingen. Hij zegt niet dat de rijke man wreed is. Hij zegt niet dat Lazarus vroom is. Hij beschrijft een situatie. En in die beschrijving ligt het oordeel al besloten.
Want de rijke man ziet Lazarus niet. Niet omdat Lazarus er niet is, maar omdat hij niet past binnen zijn ‘normale’ wereld. Lazarus ligt buiten de poort, buiten zijn wereld, buiten de ‘normale’ orde die telt in onze wereld.
Dan sterven zij beiden. “Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. En ook de rijke stierf en werd begraven.” (Lukas 16:22)
Met deze woorden opent Jezus de heldere, zuivere wereld — olam barur. Niet als toekomstfantasie, maar als onthulling van hoe God’s werkelijkheid werkelijk is. Er verandert niets aan Lazarus; maar er verandert wat zichtbaar wordt. Wat hier, in de normale wereld, verborgen bleef, komt aan het licht.
Lazarus, die hier buiten lag, blijkt daar binnen te zijn. De rijke man, die hier alles leek te hebben, blijkt afgesneden. Deze omkering laat zien wat eigenlijk altijd al waar was, maar niet werd gezien door de mensen in deze wereld, deze maatschappij!
Opvallend is dat de rijke man Lazarus nu wél ziet. Maar, let goed op, hij ziet hem nog steeds verkeerd. Want hij spreekt Abraham aan en vraagt dat Lazarus gestuurd wordt om hem te dienen. De oude hiërarchie blijft intact. Zelfs in de heldere wereld probeert hij vast te houden aan de ‘upside down’ orde waarin hij altijd heeft geleefd. Daarom zit hij in dat ‘vuur’.
Abraham antwoordt: “Kind, herinner u dat u uw goede dingen ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo de kwade; en nu wordt hij hier vertroost en u lijdt pijn.” (Lukas 16:25)
Dit is een onthulling van twee manieren van leven. De rijke leefde verzadigd en gesloten, zonder ruimte voor de ANDER. Lazarus leefde afhankelijk en blootgesteld — niet uit keuze, maar bij gebrek aan bescherming. En juist die geslotenheid en die openheid blijken beslissend.
Want daardoor is er de kloof. “En bovendien is er tussen ons en u een grote kloof bevestigd.” (Lukas 16:26)
Die kloof is niet pas na de dood ontstaan. Zij liep al door het leven zelf. Tussen de poort en de stoep. Tussen overvloed voor de één en afhankelijkheid voor de ander. Niet omdat Lazarus arm was, maar omdat de rijke zijn wereld had gesloten voor wat zijn orde verstoorde. De kloof is geen neutrale afstand. Zij is het gevolg van een leven dat zich heeft afgesloten van de ANDER.
De kloof begon niet na de dood.
Ze lag al voor de poort van de rijke.
Hier wordt olam hafuch ten volle zichtbaar.
Niet als een simpele omkering — arm goed, rijk fout — maar als een oordeel over hoe wij kijken. Het gaat hier niet om bezit, maar om waarneming. Om zien en niet-zien van barmhartigheid.
Lazarus lag er niet omdat zijn lijden nodig was. En hij lag er niet om tot middel te worden gemaakt. Hij lag er omdat God zich juist daar openbaart in het gelaat van de noodlijdende NAASTE. In het gelaat van de NAASTE moeten we Christus leren zien!
In die zin had niet Lazarus de rijke nodig. Nee, de rijke had Lazarus nodig — om te leren zien, om zelf binnengeleid te worden in barmhartigheid, in openheid, in waarheid. ‘God helpt’ (= Lazarus) de rijke om te leren komen tot barmhartigheid.
Dat maakt dit verhaal zo ontregelend. De arme is hier niet het object van liefdadigheid, maar de plaats waar de waarheid van de ‘olam barur’ zichtbaar wordt. Niet de rijke helpt de arme, maar de aanwezigheid van de arme legt bloot hoe de rijke verkeerd leeft.
Dat is geen losstaand verhaal. Dat is de lijn van de Schrift. Maria zingt het al:
“Hij heeft machtigen van de troon gestoten en nederigen verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goede gaven vervuld, en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden.” (Lukas 1:52–53)
En Jezus zegt het zelf:
“Zalig bent u, armen… Wee u, rijken.” (Lukas 6:20, 24)
Dit is de onthulling van Gods ware orde, de ‘olam barur’: de zuivere, heldere wereld van barmhartigheid en naastenliefde.
Paulus zegt het zonder omwegen:
“Niet veel wijzen naar het vlees, niet veel machtigen, niet veel aanzienlijken zijn geroepen.” (1 Korinthe 1:26) Niet omdat God de rijken en de machtigen op zich uitsluit, maar omdat wie vol is in deze wereld zich zo gemakkelijk sluit voor de ander. Wie niets mist, mist vaak ook niets van God.
En dan staat Christus zelf in het midden. Want Hij vertelt dit verhaal niet vanop afstand. Nee, Hij is deze omgekeerde wereld. Hij die ‘rijk’ was, werd arm voor ons, de ANDER. Hij die boven was, kwam beneden voor ons, de ANDER. Hij hing buiten de poort van ‘Jeruzalem’ (beeld van deze wereld waarin we leven) (net als Lazarus eigenlijk) aan het kruis — veracht, uitgesloten, onrein verklaard. Ja, Hij IS Lazarus (Eliezer, de God die helpt).
In Christus wordt de heldere wereld niet alleen getoond, maar geopend.
Wie Hem ziet aan het kruis, leert anders kijken naar de wereld.
Wie Hem nodig krijgt, staat dichter bij de waarheid dan hij dacht.
En wie Hem voorbijgaat, loopt het gevaar de ware wereld te missen — terwijl zij al voor zijn poort lag.
Leven tussen deze werelden is geen rustige positie. Wij blijven wonen in wat zichtbaar is, meetbaar, erkend. We moeten functioneren, kiezen, verantwoordelijkheid dragen in deze ‘normale’ wereld. En tegelijk breekt er voor een volger van Jezus een andere werkelijkheid binnen die onze zekerheden niet bevestigt, maar bevraagt.
De omgekeerde wereld van Gods Koninkrijk vraagt een spectaculaire ommekeer in denken en richting : dat wij onze oude manier van kijken loslaten. Dat wij erkennen dat onze waarneming niet neutraal is. Dat wij geneigd zijn waarde toe te kennen aan uiterlijke futiliteiten, en voorbij gaan aan wat kwetsbaar en afhankelijk is.
De kloof uit Lukas 16 loopt daarom niet alleen tussen mensen. Zij loopt dwars door ons eigen leven. Tussen vasthouden aan al het zogezegd ‘normale’ en loslaten. Tussen controle en ontvangen. En die kloof kunnen wij niet zelf overbruggen.
Maar precies daar klinkt het evangelie. Niet als opdracht, maar als belofte. De ware wereld rust niet op ons vermogen om juist te zien, maar op Gods besluit om Zich te openbaren. In Christus is de omgekeerde wereld niet alleen zichtbaar geworden, maar binnengaanbaar.
Hij, Jezus de Christus, is afgedaald in onze schaduwwereld, onze upside down. Niet om haar te bevestigen, maar om haar te dragen en open te breken. Daarom is deze omkering geen dreiging voor wie leeg is. Zij is een ontmaskering voor wie meent vol te zijn. Geen last voor wie niets kan tonen, maar een gevaar voor wie zichzelf genoeg acht.
Leven in het licht van Gods Koninkrijk is geen voortdurende prestatie. Het is leren ontvangen van de ANDER. Oefenen in afhankelijkheid. Hopen tegen de zichtbare orde in.
Wat hier verborgen is, zal geopenbaard worden.
Wat hier laag is, zal hoog blijken.
Wat hier vergeten wordt, zal genoemd worden bij name.
De omgekeerde wereld is geen toekomstfantasie die ons weghaalt uit het leven. Zij is een belofte die ons draagt midden in dit leven. Een belofte dat ons bestaan niet rust op wat wij voor onszelf opbouwen, maar rust op Wie Zich gegeven heeft voor de ANDER.
En misschien is dat genoeg.
Niet om alles te begrijpen. Hoeft niet.
Maar om te blijven hopen.
Tot God zelf laat zien welke wereld werkelijk helder is.
Voorbeden
Heere onze God,
U bent de God die ziet.
U ziet wie buiten de poort ligt.
U ziet wat wij niet zien, en wat wij liever niet zien.
Wij bidden U voor Uw wereld.
Voor allen die leven in armoede en afhankelijkheid,
voor wie geen bescherming hebben,
voor wie ziek zijn, eenzaam, vergeten of zonder stem.
Wees hun nabij.
Geef mensen op hun weg die hen niet voorbijgaan.
Wij bidden U ook voor wie leven in overvloed en zekerheid.
Bewaar hen voor geslotenheid van hart.
Geef wijsheid aan wie verantwoordelijkheid dragen in politiek, economie en zorg,
opdat recht en barmhartigheid niet los van elkaar raken.
Wij bidden U voor Uw kerk, wereldwijd en plaatselijk.
Bewaar haar voor aanpassing aan de maatstaven van deze wereld.
Geef dat zij niet leeft uit macht of aanzien,
maar uit het evangelie van de Gekruisigde.
Maak haar tot een gemeenschap waar ruimte is voor wie kwetsbaar is.
Wij bidden U voor onze eigen gemeente.
Voor wie worstelen met vragen.
Voor wie lijden aan ziekte of psychische nood.
Voor wie rouwen om gemis.
Voor wie innerlijk leeg zijn ondanks uiterlijke orde.
Wees hun troost en kracht.
Wij bidden U voor onszelf.
Daar waar in ons een kloof loopt tussen weten en doen,
tussen horen en leven —
overbrug die door Uw genade.
Leer ons leven in afhankelijkheid van Christus.
Geef ons een open blik en een bewogen hart.
Laat Uw Koninkrijk komen,
ook in ons.
Dit alles leggen wij voor U neer,
in de Naam van Jezus Christus,
die leeft en regeert tot in eeuwigheid.
Amen.