Genesis 2 de mens Adam

Gemeente,

Toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; zo werd de mens tot een levend wezen.” (Genesis 2:7, HSV)

Wanneer wij teksten in de Bijbel lezen, nemen wij vaak al iets mee dat eigenlijk niet in de tekst staat. Wij lezen over Adam, en bijna vanzelf denken wij: daar staat de eerste ‘man’. Maar de Genesistekst zelf zegt iets anders. In het Hebreeuws staat hier het woord ‘adam’. En dat woord betekent allereerst niet “man”, maar mens, mensheid, aardse mens. De mens als schepsel.

Het woord hangt samen met ‘adamah’: de aarde, de roodbruine akkergrond. De Bijbel zegt dus eigenlijk: God vormde de mens uit de aarde zelf. Dat is de eerste waarheid over ons bestaan: wij zijn van de aarde. De mens is niet gemaakt uit licht, niet uit vuur, niet uit iets goddelijks.

Nee, hij is stof. Dat klinkt misschien vernederend voor moderne oren. Wij leven immers in een tijd waarin de mens zichzelf voortdurend verheft. Wij spreken over autonomie, zelfontplooiing en onafhankelijkheid. Maar de Schrift begint niet bovenaan. Zij begint beneden, in het stof van de aarde. En toch is dat stof niet waardeloos. Want God buigt Zich erover neer. Hij raakt het aan. Hij vormt het met Zijn handen.

Maar het verhaal gaat verder. Want stof alleen leeft niet. De tekst zegt dat God daarna de levensadem in zijn neus blies. De mens wordt pas levend doordat God hem adem geeft. Het leven is dus geen bezit van de mens. Het is iets dat hem geschonken wordt. Een gave.

Dat maakt de mens tot een wezen dat altijd leeft tussen twee werkelijkheden. Aan de ene kant is hij van de aarde. Aan de andere kant leeft hij van de adem die hij van God ontvangen heeft. Daarom staat er in Prediker: “En het stof terugkeert tot de aarde zoals het was, en de geest terugkeert tot God, Die hem gegeven heeft.” (Prediker 12:7, HSV) De adem herinnert eraan dat ons leven nooit volledig van onszelf is. Elke ademtocht is ontvangen. Elke nieuwe morgen is ontvangen. Wij leven niet uit onszelf. De Bijbel tekent de mens dus niet als een zelfstandig individu dat op eigen kracht staat. Nee, hij tekent de mens als een wezen dat leeft van wat hij ontvangen heeft van de Gans Andere.

Maar er is nog iets opvallends in dit verhaal. Hoewel wij geneigd zijn om Adam meteen als “man” te lezen, gebruikt de tekst nog helemaal niet het Hebreeuwse woord voor man: ‘ish’. Dat woord verschijnt pas later in het verhaal. Tot dat moment heet de mens eenvoudig ‘adam’: de mens. Dat betekent dat de Bijbel ons eerst wil laten zien wat een mens is, vóór hij spreekt over man en vrouw. Mens-zijn gaat vooraf aan mannelijkheid en vrouwelijkheid.

De Bijbel begint dus niet met een geïsoleerde man die de maat van alles is. Nee, hij begint met de mens als schepsel. Een mens die afhankelijk is. Een mens die leeft van ontvangen leven.

En precies op dat punt verschijnt in het verhaal een eerste oordeel van God over de schepping. Tot dan toe had God steeds gezegd dat alles goed was. Maar dan klinkt voor het eerst iets anders. “Het is niet goed dat de mens alleen is.” (Genesis 2:18, HSV) Dat is opmerkelijk. Want dit gebeurt nog vóór de zondeval, nog vóór schuld en gebrokenheid. En toch zegt God: hier ontbreekt iets. De mens alleen: dat is niet goed. De mens die uit aarde is genomen en leeft van ontvangen adem blijkt niet volledig te zijn. Er ontbreekt een ander. Een tegenover. Iemand die hem kan ontmoeten. De eerste nood van de mens in de Bijbel is dus niet schuld, maar alleenheid. De mens is niet gemaakt om eenzaam te zijn, maar om tweezaam te zijn.

En broeders en zusters, daar raakt deze tekst iets dat diep door ons leven heen gaat. Want veel mensen dragen vandaag een verborgen eenzaamheid mee. Er zijn mensen die alleen thuiskomen in een stil huis. Mensen die dagen kunnen doorbrengen zonder dat iemand werkelijk vraagt hoe het met hen gaat. Mensen die wel omringd zijn door anderen, maar zich toch ongezien voelen. Want een mens kan zelfs midden in een huwelijk eenzaam zijn… Midden in een familie… Zelfs midden in een kerk…

En misschien is dat wel één van de diepste pijnen van het mens-zijn: niet alleen dat wij lijden, maar dat wij niemand hebben aan wie wij werkelijk gekend zijn. De Schrift zegt hier iets fundamenteels: God ziet die alleenheid. God ziet uw alleenheid! Nog vóór de mens zelf spreekt, nog vóór hij zelf begrijpt wat hem ontbreekt, zegt God: “Het is niet goed dat de mens alleen is.” De mens ontdekt zijn nood pas later. Maar God ziet haar onmiddellijk. En dat betekent ook vandaag: uw eenzaamheid is niet onzichtbaar voor God.

God antwoordt op die alleenheid niet door de mens zelfstandiger te maken, niet door hem harder te maken, niet door hem op zichzelf terug te werpen, maar door hem een ander te geven. Daar begint het wonder van de wederkerigheid. “Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam één van zijn ribben en sloot het vlees ervoor in de plaats. En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en bracht haar bij Adam. Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees! Zij zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen.” (Genesis 2:21-23, HSV)

Het moment waarop God antwoord geeft op de alleenheid van de mens, wordt in de Bijbel opvallend zorgvuldig verteld. De mens wordt eerst in een diepe slaap gebracht. Alsof God Zelf het werk moet doen zonder menselijke bijdrage. De oplossing voor de alleenheid ligt uiteindelijk niet in menselijke activiteit, maar in goddelijk handelen. En dan staat er dat God iets neemt van de mens. In onze vertalingen lezen wij meestal: een rib. Maar het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, ‘tsēlāʿ’, betekent in de eerste plaats zijde of zijkant. Hetzelfde woord wordt elders gebruikt voor de zijkanten van de tabernakel en de tempel. Het is eigenlijk een term uit de bouw.

Ook het werkwoord is opvallend. Er staat niet eenvoudig dat God de vrouw “maakt”, maar dat Hij haar bouwt. De tekst schildert dus geen klein technisch ingreepje, maar een diep gebeuren waarbij God als het ware een zijde van de mens neemt en daaruit een ander opbouwt. In klassieke rabbijnse traditie (Babylonische Talmoed, Berakoth 61) wordt Adam daarom soms voorgesteld als een dubbelzijdig wezen met twee gezichten dat later wordt opgesplitst in man en vrouw.

En merk op: pas nu verschijnt voor het eerst het woord ‘ish’, man. “Zij zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen.” Dat betekent dat “man” geen oorspronkelijke, zelfstandige categorie is. Zonder de vrouw was er alleen ‘adam’: mens. Met haar komst ontstaan ‘ish’ en ‘ishah’. De één wordt pas verstaan in relatie tot de ander.

En precies daarom is dat beeld van de zijde zo belangrijk. De vrouw wordt niet genomen uit het hoofd van de man, alsof zij boven hem zou staan. Niet uit zijn voet, alsof zij onder hem zou staan. Maar uit zijn zijde: dicht bij zijn hart, naast hem, corresponderend aan hem. De ander is niet ondergeschikt, maar tegenoverstaand. Niet een verlengstuk, maar een antwoord. Niet iemand die hem vervangt, maar iemand die hem aanvult tot volledige mens!

Dat betekent ook dat de mens pas werkelijk mens wordt in de ontmoeting met de ander. De eerste keer dat de mens spreekt in de Bijbel, is bij het zien van de ander. De vrouw is dus niet een toevoeging aan een reeds volledige man. Nee, de komst van de vrouw maakt zichtbaar wat de mens altijd al was: een wezen dat niet alleen kan bestaan, maar leeft in relatie. De schepping van de vrouw is geen bijzaak in het verhaal. Het is het moment waarop de mens zijn bestemming begint te begrijpen. Niet als individu, maar als iemand die leeft tegenover een ander.

Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.” (Genesis 2:18, HSV)

Met deze woorden opent God Zelf het probleem dat in het hart van de mens ligt. En het antwoord dat God daarop geeft, wordt samengevat in die ene uitdrukking: “een hulp als iemand tegenover hem.” In het Hebreeuws: ‘ʿēzer kĕnegdô’. Dat woord ‘ezer’ wordt vaak zwak begrepen. Alsof het zou gaan om een assistentje of een hulpje. Maar dat is niet wat het woord betekent. In het Oude Testament wordt datzelfde woord herhaaldelijk gebruikt voor God Zelf. De psalmist zegt: “Onze ziel verwacht de HEERE; Hij is onze hulp en ons schild.” (Psalm 33:20, HSV) Wanneer God ‘ezer’ wordt genoemd, bedoelt de Schrift geen ondergeschikte kracht, maar een reddende, dragende nabijheid. Iemand zonder wie het niet gaat. Dat is het woord dat hier gebruikt wordt voor de vrouw. Niet als versiering. Niet als aanvulling aan de rand. Maar als degene die gegeven wordt waar de mens (die man geworden is) het niet redt alleen.

En dan het tweede woord: ‘kenegdo’, tegenover hem. Niet achter hem. Niet onder hem. Niet in zijn schaduw. Maar tegenover hem. Aangezicht tegenover aangezicht. Iemand die hem aankijkt, hem ontmoet, hem beantwoordt. Samen vormen die woorden een uitdrukking die moeilijk in één Nederlands woord te vatten is. Het gaat dus om een krachtige, corresponderende, reddende hulp: iemand die precies bij hem past doordat zij hem tegenoverstaat. En hier wordt duidelijk wat er werkelijk op het spel staat. De mens is niet geschapen om alleen te leven als individu, maar om in relatie te leven. Alleenheid is geen neutrale toestand. Het is een gemis dat het mens-zijn zelf raakt.

En daarom raakt deze tekst ook de roeping van de gemeente van Christus. Want als het niet goed is dat een mens alleen is, hoe kunnen wij dan naast elkaar leven zonder elkaar werkelijk te zien?… De kerk is geen verzameling losse individuen die toevallig dezelfde ruimte delen op zondag. Nee, zij is een lichaam. Dat betekent dat wij oog moeten hebben voor wie alleen draagt, voor wie stil geworden is, voor wie weduwe of weduwnaar werd, voor wie niemand meer bezoekt, voor wie altijd sterk lijkt maar vanbinnen moe geworden is. Want vanaf Genesis klinkt al: de mens is geschapen voor nabijheid. Soms kan één bezoek, één maaltijd of één luisterend oor meer van Gods liefde zichtbaar maken dan vele woorden.

Wij leven echter in een tijd waarin alleen-zijn vaak wordt voorgesteld als vrijheid, als onafhankelijkheid, als het hoogste goed. Maar de Schrift spreekt anders. Zij zegt niet dat alleenheid een ideaal is, maar een tekort. “Het is niet goed”, zei God. Dat is geen sociaal commentaar. Dat is een scheppingswoord. En daarom is de komst van de ander geen optionele toevoeging, maar een daad van redding. Daarin ligt ook een diepe correctie op hoe wij relaties vaak begrijpen. Wij denken in termen van keuze, voorkeur, uiterlijke schoonheid en contract. Maar Genesis spreekt in termen van gave en antwoord.

De ander is niet iemand die wij produceren, maar iemand die ons wordt toevertrouwd. En dat betekent ook dat de ander nooit gereduceerd kan worden tot middel, niet tot instrument voor ons geluk, niet tot vervulling van eigen behoefte. Nee, de ander staat tegenover ons. En juist daarin ligt zijn of haar waardigheid.

Daarom kan Paulus later zeggen: “Evenwel is in de Heere de vrouw niet zonder de man, en de man niet zonder de vrouw.” (1 Korinthe 11:11, HSV) Ze hebben elkaar zo nodig, dat ze pas samen ‘mens’ worden!

En toch gaat dit uiteindelijk nog dieper. Want als wij eerlijk zijn, weten wij dat zelfs de beste menselijke relatie de diepste alleenheid niet volledig kan opheffen. Er blijft iets in de mens dat verlangt naar een ontmoeting die verder gaat dan het menselijke. De Schrift laat zien dat de mens niet alleen geschapen is voor de ander, maar ook voor God. De adem die hem gegeven is, roept hem uiteindelijk terug naar Degene die haar gaf. Prediker zegt: “En het stof terugkeert tot de aarde zoals het was, en de geest terugkeert tot God, Die hem gegeven heeft.” (Prediker 12:7, HSV)

De mens leeft dus altijd in twee richtingen: naar de ander en naar God. Zo begint de Bijbel met een mens die uit aarde is genomen, leeft van ontvangen adem, en niet alleen kan bestaan. En zo eindigt de Schrift in Openbaringen met het Koninkrijk van God : met een gemeenschap waarin nooit meer alleenheid zal zijn. Nooit meer verlaten. Nooit meer vergeten. Nooit meer alleen.

Want de eerste mens (de man) in de Bijbel is geen soloheld. Hij is aarde die ademt. Een mens die ontvangen leeft. Een mens die de ander nodig heeft. En misschien verzetten wij ons daar wel tegen. Omdat wij sterk willen zijn. Onafhankelijk. Niemand nodig hebben. Maar vanaf het begin zegt God: zo bent u niet geschapen. Niet voor isolement. Niet voor koude zelfstandigheid. Maar voor ontmoeting. Voor nabijheid. Voor gemeenschap. En uiteindelijk: voor God Zelf.

Daarom eindigt de Schrift niet met een eenzame mens, maar met een stad vol leven, waar God bij de mensen woont. Dat is de hoop van het Koninkrijk van God. Dat is de belofte die ons gegeven is. En precies daarin ligt niet de zwakte van de mens, maar zijn geschapen heerlijkheid.

Voorbeden

Heere onze God,

Wij danken U dat wij tot U mogen komen met alles wat leeft in ons hart en in deze wereld. U bent de God Die de mens geschapen heeft, de God Die adem geeft aan het leven, en U kent ons beter dan wij onszelf kennen.

Wij bidden voor Uw gemeente. Bewaar ons ervoor om langs elkaar heen te leven. Leer ons om werkelijk naar elkaar om te zien. Geef dat wie zich alleen voelt, nabijheid mag ervaren. Geef dat wie verdriet draagt, gedragen mag worden. Maak Uw gemeente tot een plaats waar mensen iets mogen proeven van Uw trouw en van de gemeenschap die U bedoelt hebt vanaf het begin.

Wij bidden voor mensen die leven met een diepe eenzaamheid. Voor weduwen en weduwnaars. Voor mensen die verlaten zijn. Voor hen die verlangen naar verbondenheid maar die niet vinden. Voor mensen die zich zelfs midden tussen anderen vergeten voelen. Heere, wees hun nabij. Laat hen niet wegzinken in moedeloosheid, maar omring hen met mensen die licht en warmte brengen.

Wij bidden ook voor huwelijken en gezinnen. Geef liefde die standhoudt. Geef geduld, trouw en wederzijds begrip. Bescherm relaties tegen hardheid, verwijdering en bitterheid. Leer mensen opnieuw om elkaar niet te gebruiken, maar elkaar te ontvangen als gave.

Wij bidden voor allen die zorg dragen voor anderen: voor mantelzorgers, hulpverleners, verpleegkundigen, artsen en vrijwilligers. Geef hun kracht wanneer zij moe worden, moed wanneer het zwaar is, en liefde die volhoudt.

Wij bidden voor deze wereld, waarin zoveel verdeeldheid en vervreemding is. Waar mensen tegenover elkaar staan in haat, geweld en wantrouwen. Breng vrede waar oorlog is. Breng waarheid waar leugen heerst. Breng hoop waar mensen de moed verloren hebben.

En wij bidden voor allen die vandaag ziek zijn, lichamelijk of psychisch. Voor wie angst draagt. Voor wie worstelt met verdriet of verlies. Voor wie de toekomst niet meer ziet. Heere, ontferm U.

Leer ons ondertussen ook uitzien naar Uw Koninkrijk, waar geen eenzaamheid meer zal zijn, geen dood, geen verdriet en geen breuk. Geef dat die hoop ons draagt in dit leven.

Hoor ons, o Vader,
in de Naam van Jezus Christus,
onze Heere.

Amen.