Preek over Exodus 33:18-23: Het Zien van God
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
‘God zei verder : U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven’.
Onze tekst van vanmorgen staat in de nasleep van de diepste crisis die Israël ooit meemaakte. De lucht is nog zwaar van schaamte en angst. Het stof van het verbrijzelde gouden kalf dwarrelt nog neer. En daar, temidden van die afgoderij van het volk, verheft Mozes zijn stem en bidt: “Heere, laat mij toch Uw heerlijkheid zien!”
Een schreeuw uit de diepte van een overbelast hart. Mozes is uitgeput. Hij heeft de stenen tafelen, beschreven door Gods eigen vinger, stukgeslagen. Hij heeft het volk terechtgewezen, gestraft, gesmeekt. Hij heeft tussen God en volk gestaan, en de toorn van de HEERE afgewend. En dan, in de leegte die volgt, blijft er maar één verlangen over: “Heere, laat mij Uzelf zien. Laat mij weten wie U bent. Geef mij zekerheid dat U nog met ons bent.”
En is dat niet het verlangen dat wij allemaal kennen? Wie is God werkelijk? Wat is Zijn wezen? Als Hij liefde is, waarom is er dan zoveel pijn? Als Hij almachtig is, waarom ervaren we zo vaak zwakte en gemis? We willen zekerheid. We snakken naar houvast.
Maar juist daarin ligt ook de valkuil. Want de mens maakt dan heel snel een beeld. We bouwen als het ware een god in ons hoofd die hanteerbaar is, voorspelbaar, passend bij ons eigen denken. Een theologisch systeem dat ons geruststelt. Een voorstelling die ons houvast geeft. Een God die precies doet wat wij verwachten, die precies is zoals wij denken. Maar zo’n God is een projectie. Een zelfgemaakt beeld.
En precies dat zien we bij Israël met het gouden kalf. Toen Mozes op de berg bleef, toen de zichtbare leider verdween, greep de angst het volk aan. “Maak voor ons goden die vóór ons uitgaan, want die Mozes… wij weten niet wat er met hem gebeurd is” (Ex. 32:1). Ze wilden een zichtbare, tastbare versie van die God of goden (in hun gedachten) die hen bevrijd hadden. Een god/goden die ze konden zien. Een god die hanteerbaar was. En Aäron gaf onmiddellijk toe, want hij wilde dat waarschijnlijk ook. Hij goot een kalf van goud, en het volk riep: “Dit is uw (Elohim! goden), Israël, die u uit Egypte geleid heeft!” (Ex. 32:4).
Ziet u de parallel? Ook zij verlangden naar zekerheid, naar zichtbaarheid, naar houvast. Maar hun houvast werd een vast beeld. Ze zagen de God die hen bevrijd had als ‘goden’ en die wilden ze dan ook nog eens uitbeelden als een ‘stierkalf’. Een dode, glanzende projectie. Een god die stilstond. Een god die niet sprak, niet oordeelde, niet confronteerde. Een god die je kon omringen, aanraken, beheersen. Een stierkalf was het beeld van een vruchtbare economie in de landbouwcultuur van die tijd.
En laten we eerlijk zijn, gemeente: zijn wij zoveel anders? Ook wij maken ons voortdurend beelden van God. De strenge God die alleen maar straft. De lieve God die ons nooit corrigeert. De politieke God die altijd onze partij kiest. De stille God die ons nooit tegenspreekt. Het zijn allemaal moderne kalveren. Beelden die ons houvast lijken te geven, maar die de levende God reduceren tot iets wat wij kunnen controleren.
Hoe anders is Mozes’ roep. Hij zoekt geen surrogaat, geen beeld, geen afgod. Hij wil de Levende zelf. En toch… ook zijn verlangen is getekend door menselijke beperktheid. Want hoe kan een eindig mens het oneindige wezen bevatten? Hoe kan een schepsel de Schepper doorgronden?
En nu komt het wonderlijke antwoord van God. Mozes vraagt om heerlijkheid, om kavod, gewicht, macht, majesteit. Maar God antwoordt heel anders: “Ik zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen en de Naam van de HEERE uitroepen. Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal” (Ex. 33:19).
Ziet u het verschil? Mozes vraagt om zichtbare aanwezigheid, God geeft een karakter. Mozes vraagt om een visioen van de echte God, God geeft een relatie. Het eerste wat God zegt is niet: Ik ben almachtig. Niet: Ik ben alwetend. Maar: Ik ben goed (voor jou, in de relatie met jou). En die goedheid krijgt direct vorm in twee woorden: genade en ontferming.
Dat is de heerlijkheid van God. Geen stilstaand beeld, geen standbeeld van goud, maar een God die, in relatie, handelt (met ons) in ons leven, die dus voorbijgaat in ons leven, die Zichzelf laat kennen in daden van trouw en ontferming.
“Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn.” Niemand kan Hem dwingen, niemand kan Hem manipuleren. Hij is geen kracht die wij kunnen bedienen, geen automaat die voorspelbaar reageert zoals wij willen. Hij is vrij. Hij is de Gans Andere. Heilig en ongrijpbaar!
En zo verschijnt het contrast in volle scherpte. Het gouden kalf stond stil, doods en leeg. De ware God is levend, in beweging, Hij gaat voorbij. Het kalf was voorspelbaar, maar de HEERE is onvoorspelbaar in Zijn wandel – en tegelijk volkomen betrouwbaar in Zijn wezen. Want wie Hij ook is, hoe Hij ook handelt: Hij is altijd goed. Altijd genadig. Altijd vol ontferming.
Gods antwoord aan Mozes is niet alleen een openbaring van Zijn wezen, maar ook een diepe les voor ons geloofsleven. Want wat zegt God eigenlijk? Mozes vraagt: “Laat mij Uw heerlijkheid zien.” En de HEERE zegt: “Mijn aangezicht kun je niet zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven” (Ex. 33:20).
Dat klinkt hard. Maar het is tegelijk genade. Want stel je eens voor: een mens, een zondaar, die de volle majesteit van God rechtstreeks zou zien. Dat zou ons verpletteren. Het zou ons wegvagen. Geen sterveling kan die oneindige heerlijkheid dragen.
Daarom wijst God Mozes een andere weg. “Zie, bij Mij is een plaats, daar moet u op de rots gaan staan. En wanneer Mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in een kloof van de rots zetten en u met Mijn hand bedekken, totdat Ik voorbijgegaan ben. En wanneer Ik Mijn hand wegneem, zult u Mijn achterzijde zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden” (Ex. 33:21-23).
Wat een vreemd beeld. Mozes mag de heerlijkheid van God zien, maar alleen vanuit de schuilplaats in de rots. Hij mag iets zien van Gods voorbijgaan, maar niet Zijn aangezicht. Hij mag iets ervaren van de sporen van Gods majesteit, maar niet de volle glorie.
En gemeente, dat is ons geloofsleven in een notendop. Ook wij staan in die kloof van de rots. Ook wij leven van wat God ons laat zien – niet van het volle, maar van het afgeleide. Wij zien niet Zijn aangezicht, maar Zijn achterzijde. Niet de volheid, maar de weerspiegeling.
En toch is dat genoeg. Want dat beetje dat God ons laat zien, dat beetje van Zijn voorbijgaande heerlijkheid, dát is redding, dát is leven. Die schaduw van Zijn voorbijgaan draagt ons door de woestijn van ons bestaan.
Maar let goed: die kloof in de rots is niet zomaar een beeld. De kerkvaders hebben er altijd Christus in herkend. (zie 1 Kor 10:4) Hij is die rots. Hij is de plaats waar wij beschutting mogen vinden. Hij is Degene in Wie wij veilig staan, zodat wij de heerlijkheid van God mogen zien voorbijgaan in ons leven. Buiten Hem zouden we verteerd worden, in Hem worden we geborgen.
En zie je dan hoe het evangelie hier al schittert in de woestijn? God zegt: “Mijn aangezicht kun je niet zien.” Maar later, in Christus, staat er: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:9). In Hem (de rots) mag de onzienlijke God zichtbaar worden. In Hem schittert de heerlijkheid van God in een menselijk gezicht. Niet om ons te verpletteren, maar om ons te redden.
Daarin wordt de spanning zichtbaar tussen de verborgenheid van God en openbaring. God blijft altijd de Onzienlijke, de Heilige die ons te groot is. Maar in Christus wordt Hij nabij, tastbaar, zichtbaar. In Hem buigt de majesteit zich neer in menselijk gelaat.
We kunnen de Onzienbare God niet naar ons toehalen, niet vastpakken, niet manipuleren. We leven uit wat Hij ons geeft. Soms is dat overvloed, soms maar een spoor. Maar altijd genoeg. Altijd betrouwbaar. Altijd genadig.
Daarom is ons geloof geen bezit dat je in je zak steekt. Geen beeld dat je neerzet en zegt: dit is nu mijn God. Ons geloof is leven in afhankelijkheid, leven uit de openbaring van een God die voorbijgaat, maar ons in Zijn spoor troost en leidt.
Zo leren we, net als Mozes, om niet te vragen om een beeld, maar om een Naam. Niet om zichtbaarheid, maar om goedheid. Niet om controle, maar om genade. En die Naam klinkt tot op vandaag: Ik ben genadig voor wie Ik genadig ben, en Ik ontferm Mij over wie Ik Mij ontferm.
En wat gebeurt er na die openbaring? Mozes daalt weer af, opnieuw met twee stenen tafelen. En dan lezen we: “En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde… dat de huid van zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had” (Ex. 34:29).
Wat een wonder. Mozes vroeg om Gods heerlijkheid, en hij kreeg geen direct gezicht van God te zien. Maar toch straalt die heerlijkheid nu van zijn eigen gezicht. Niet omdat Mozes zelf zo bijzonder is, maar omdat hij in Gods nabijheid was. Hij draagt het licht niet van zichzelf, maar als weerkaatsing.
Gemeente, dat is precies wat het leven met God betekent. Wie bij Hem verkeert, wordt veranderd. Wie in Zijn aanwezigheid leeft, draagt iets van Zijn glans mee. Niet als bezit, niet als eigen glorie, maar als afspiegeling.
En hier raken we iets wezenlijks. Want wat is de roeping van de gemeente in deze wereld? Niet dat wij met veel zijn. Niet dat wij machtig zijn. Niet dat wij schitteren in eigen kracht. Maar dat wij als Mozes iets uitstralen van Gods licht. Dat wij een spiegel zijn van Zijn goedheid, Zijn genade, Zijn ontferming.
Dat verklaart ook waarom Paulus later zegt: “Wij allen die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid” (2 Kor. 3:18). Mozes moest zijn gezicht bedekken, maar in Christus mogen wij onbevangen de glorie van God zien. En terwijl wij zien, worden wij veranderd. Van heerlijkheid tot heerlijkheid.
Gemeente, ziet u de beweging? Mozes verlangde naar Gods heerlijkheid. Hij kreeg een glimp. Die glimp veranderde hem. En zo werd zijn gezicht een getuigenis. Zo wordt ook ons leven, door de Geest, een getuigenis. Niet omdat wij volmaakt zijn, maar omdat wij het licht van een Ander weerspiegelen.
Maar nu komt de scherpe vraag. Wat straalt van ons af? Als mensen ons leven zien, wat zien ze dan? Zien ze een zelfgemaakt beeld, een modern gouden kalf dat wij koesteren in onze godsdienst? Of zien ze de sporen van Gods aanwezigheid, de glans van Zijn goedheid?
Want laten we eerlijk zijn: ook wij kunnen een religie hebben die meer lijkt op een kalf dan op de levende God. Een geloof dat netjes voorspelbaar is, dat netjes in ons schema past, dat ons nooit confronteert. Maar dat geloof straalt niets uit. Het is dood, koud, glanzend maar leeg.
Alleen de levende God, die voorbijgaat, maakt levend. Alleen wie Hem ontmoet, wordt werkelijk veranderd. Alleen wie in de kloof van de Rots staat, veilig in Christus, draagt iets van Zijn heerlijkheid mee.
En dat brengt ons bij het diepe geheim van ons geloof: het gaat niet om wat wij doen voor God, maar om wat Zijn aanwezigheid met ons doet. Het gaat niet om onze pogingen om glansrijk te zijn, maar om de glans die Hij ons geeft. Het gaat niet om onze controle, maar om Zijn genade die ons draagt en vormt.
Leeft u werkelijk uit die ontmoeting met God?… Is uw geloof een zelfgemaakt kalf, een religie die u kunt hanteren? Of is uw geloof een weg in afhankelijkheid, een leven in Christus, de Rots die ons beschut?
Gemeente, Mozes’ gebed klinkt door de eeuwen heen: “Heere, laat mij Uw heerlijkheid zien.” Dat gebed mag ook ons gebed zijn.
En zie dan hoe God antwoordt. In Christus heeft Hij Zijn heerlijkheid laten zien – niet om ons te verpletteren, maar om ons te redden. Aan het kruis schittert de glorie van Zijn liefde. In het lege graf straalt de majesteit van Zijn overwinning. In de Geest weerkaatst die heerlijkheid in ons leven.
En zo wordt ons bestaan zelf een getuigenis. Zwak, gebroken, en toch stralend. Niet omdat wij groot zijn, maar omdat wij Hem gezien hebben. Niet omdat wij volmaakt zijn, maar omdat Zijn genade ons draagt.
Gemeente, is dat zichtbaar in uw leven? Straalt er iets van Christus af in uw woorden, uw keuzes, uw daden? Herkennen mensen in u de glans van een ontmoeting met God?
Dat is de vraag waarmee ik u wil laten gaan: leeft u uit een beeld van God dat u zelf gemaakt hebt? Of leeft u uit de aanwezigheid van de levende God, die u in Christus ontmoet?
Amen.
Gebed :
Heer God, onze Almachtige Vader,
We komen voor Uw heilige troon, met nederige harten, in verwondering over Uw grootheid.
Zoals Mozes, verlangen wij ernaar om Uw heerlijkheid te zien, om U te kennen zoals U werkelijk bent.
Heer, vergeef ons wanneer we proberen U te beperken tot onze eigen beelden en ideeën.
Geef ons de genade om U te zien in Uw waarheid, en om onze gedachten te laten vormen door Uw Woord.
Leid ons, Heer, op de weg van nederigheid, opdat wij groeien in ons geloof en inzicht.
Laat ons vertrouwen in Uw genade, en U volgen met een zuiver hart, zonder afgoden of misleidende beelden.
In de naam van Jezus, die ons het perfecte beeld van U heeft getoond, bidden wij.
Amen.