Exodus 33 : 18 – 23

Preek over Exodus 33:18-23: Het Zien van God

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘God zei verder : U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven’.

Vandaag staan we stil bij een diepe, krachtige passage uit het boek Exodus. Mozes, de man van God, roept uit naar zijn Schepper: “Toon mij toch Uw heerlijkheid” (Exodus 33:18). Dit is geen eenvoudige vraag. Het is de vraag van een man die meer wil dan oppervlakkige religie. Mozes verlangt naar een diepe, persoonlijke ontmoeting met God. Hij wil God niet alleen dienen; hij wil God kennen. Hij wil zien wie God werkelijk is.

Maar wat betekent het om God te “zien”? Is het werkelijk mogelijk voor een mens om de volle glorie van God te aanschouwen? En wat gebeurt er als we proberen om God naar ons eigen beeld te begrijpen? Dit zijn de vragen die we vandaag zullen verkennen, met een bijzonder oog op de gebeurtenis van het gouden kalf die onze passage voorafgaat (in het vorige hoofdstuk 32).

Laten we eerst de context van Mozes’ verzoek begrijpen. Kort voor deze passage had Israël gezondigd door het maken van een gouden kalf (Exodus 32). Terwijl Mozes op de berg was om de wet van God te ontvangen, begonnen de Israëlieten ongeduldig te worden. Ze vroegen aan Aäron om een beeld van God (van JHWH) te maken die voor hen uit zou gaan. En zo maakten ze een beeld van goud en aanbaden het, zeggende: “Dit is uw god, Israël, die u uit Egypte heeft geleid.” Dus geen andere afgod, maar een beeld van de werkelijke God JHWH!

Wat een tragische misstap! Hier was een volk dat de wonderen van God had gezien—de plagen in Egypte, de scheiding van de Rode Zee, het manna uit de hemel—en toch verlangden ze naar iets tastbaars, iets zichtbaars, iets dat ze konden begrijpen en controleren. Ze wilden een god naar hun eigen beeld. Ze wilden de God van de bijbel duwen in een vastgeroest beeld : ze zagen JHWH als een stierkalf, een mannelijk symbool van vruchtbaarheid. Een typische afgod in een landbouweconomie!

Wat was het gevolg hiervan? Het volk verviel in afgoderij en zonde. Gods toorn ontbrandde, en het volk moest boeten voor hun afdwaling. Deze gebeurtenis zet de toon voor het gesprek tussen God en Mozes in Exodus 33. De vraag van Mozes komt voort uit een diep verlangen naar verzoening, naar duidelijkheid, naar de echte kennis van God—iets dat ver weg ligt van de misleide pogingen van het volk om een beeld van God te maken.

Waarom is het zo gevaarlijk om een “beeld” van God te maken, zelfs als dat beeld alleen maar in onze gedachten bestaat? Het antwoord ligt in de aard van wie God is. God is de “Gans Andere,” zoals theologen Hem noemen. Hij is heilig, verheven, en volledig anders dan alles wat wij ons kunnen voorstellen. Elke poging om God in een beeld te vangen, beperkt Hem tot iets wat Hij niet is.

Het gouden kalf was een fysiek beeld, maar wij maken ook beelden van God in onze gedachten. Misschien zien we God als een vriendelijke oude man, altijd bereid om onze gebeden te beantwoorden, of als een strenge rechter, altijd klaar om ons te straffen. Maar elk van deze beelden doet tekort aan wie God werkelijk is. Ze beperken Hem tot een menselijke vorm, een begrijpelijk concept, en daardoor verliezen we het zicht op Zijn ware glorie.

Dit is de essentie van afgoderij: niet alleen het aanbidden van een beeld, maar ook het vormen van een onjuist beeld van God in onze gedachten. Zoals de Israëlieten in hun ongeduld een tastbaar beeld van God wilden, zo proberen wij soms in ons ongeduld of onbegrip God te vangen in een concept dat we kunnen begrijpen.

In Exodus 33:18, nadat hij heeft bemiddeld voor het volk, vraagt Mozes om iets groters: “Toon mij toch Uw heerlijkheid.” Hij vraagt niet om een teken of een wonder. Hij vraagt om een directe openbaring van Gods wezen, van Zijn glorie, van Wie Hij werkelijk is. Mozes wil voorbij de sluiers van symbolen en rituelen gaan, hij wil God zelf kennen.

Dit is een moedige vraag, want de Bijbel is duidelijk: “Niemand kan Mij zien en leven” (Exodus 33:20). God is te heilig, te glorieus, te verheven voor de menselijke zintuigen om te verdragen. Toch wijst God Mozes niet af. In plaats daarvan geeft Hij een opmerkelijk antwoord.

God zegt tegen Mozes dat Hij al Zijn goedheid voor hem zal laten voorbijgaan, maar dat Mozes Zijn gezicht niet kan zien, alleen Zijn achterzijde. Wat betekent dit? Het betekent dat God Zichzelf wil openbaren aan Mozes, maar op een manier die passend is voor de menselijke beperking. Mozes kan een glimp van Gods heerlijkheid zien, maar niet de volle openbaring. God is te heilig om direct gezien te worden, maar Hij wil Zich toch aan Mozes laten kennen op een manier die Mozes kan verdragen.

Wat betekent dit voor ons vandaag? Wij, net als Mozes, verlangen ernaar om God te kennen, om Hem te zien in ons leven. Maar ook wij moeten erkennen dat God altijd groter is dan ons begrip. Zoals Mozes, kunnen wij slechts een glimp opvangen van Zijn heerlijkheid, niet door visuele ervaring, maar door geloof.

De apostel Paulus herinnert ons eraan dat we “nu zien door een spiegel, in raadselen, maar dan zullen we zien van aangezicht tot aangezicht” (1 Korintiërs 13:12). Ons kennen van God is nu gedeeltelijk, en dat moet ons nederig maken. We moeten waakzaam zijn dat we geen “gouden kalf” in onze gedachten maken—geen beperkt, menselijk concept van God dat ons comfort geeft, maar ons ook ver af houdt van Zijn ware glorie.

Het is door geloof dat we God zien, en dat geloof is gebaseerd op het Woord van God, niet op onze verbeelding of onze verlangens. God openbaart Zichzelf in de Schrift en, uiteindelijk, in de persoon van Jezus Christus. Jezus zei: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (Johannes 14:9). In Christus zien we de volheid van Gods karakter: Zijn liefde, Zijn genade, Zijn gerechtigheid, en Zijn waarheid. Christus is het perfecte beeld van de onzichtbare God (Kolossenzen 1:15).

Laten we nu terugkeren naar het verhaal van het gouden kalf. Waarom maakten de Israëlieten dit beeld? Het antwoord ligt in hun ongeduld en hun verlangen naar iets tastbaars. Ze konden niet wachten op Mozes, en ze konden niet omgaan met een God die onzichtbaar en onbegrijpelijk was. Ze wilden iets om vast te houden, iets dat hen zekerheid gaf.

Wij kunnen in dezelfde val lopen. Wanneer God niet lijkt te antwoorden op onze gebeden, of wanneer we geconfronteerd worden met moeilijkheden, kunnen we geneigd zijn om ons eigen “gouden kalf” te maken. Misschien vormen we een beeld van God als iemand die altijd voor ons zal zorgen zonder enige inspanning van onze kant. Of we kunnen God zien als iemand die altijd onze wil zal doen, zonder dat we ons moeten aanpassen aan Zijn wil.

Deze beelden zijn gevaarlijk omdat ze ons afleiden van de ware God. Ze maken ons blind voor Zijn majesteit, Zijn soevereiniteit, en Zijn diepe, onpeilbare wijsheid. In plaats van te vertrouwen op de God die groter is dan ons begrip, creëren we een god die past bij ons eigen begrip—en dat is niets minder dan afgoderij.

God roept ons op om Hem te zoeken zoals Hij werkelijk is, niet zoals wij Hem zouden willen zien. Dit vereist nederigheid, omdat we moeten erkennen dat onze kennis van God altijd beperkt is. Het vereist ook geloof, omdat we moeten vertrouwen dat God Zichzelf op Zijn manier en op Zijn tijd aan ons zal openbaren.

Mozes’ ervaring leert ons dat God bereid is om Zich te openbaren aan degenen die Hem ernstig zoeken. Maar het laat ons ook zien dat deze openbaring altijd een kwestie van genade is. God is niet verplicht om Zich aan ons te laten zien, maar uit liefde en genade doet Hij dat toch, op een manier die ons niet vernietigt, maar ons opbouwt.

Wanneer we proberen God te begrijpen, moeten we dat doen met diepe eerbied en ontzag. We moeten ons eigen begrip aan de kant zetten en ons laten leiden door wat God over Zichzelf zegt in Zijn Woord. En bovenal moeten we ons richten op Christus, want in Hem zien we het ware beeld van God.

Er is nog een ander gevaar waar we voor moeten oppassen (typisch protestants) : geestelijke hoogmoed. Soms denken we dat we God volledig begrijpen, dat we precies weten wie Hij is en wat Hij zal doen. Maar dit is een illusie. Zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn Gods wegen hoger dan onze wegen, en Zijn gedachten hoger dan onze gedachten (Jesaja 55:9).

We moeten ons bewust zijn van de beperktheid van ons eigen begrip. Mozes, die zo dicht bij God stond, die met God sprak “van aangezicht tot aangezicht, zoals een man spreekt met zijn vriend” (Exodus 33:11), vroeg nog steeds: “Toon mij Uw heerlijkheid.” Dit laat zien dat zelfs de grootste heiligen erkennen dat ze Gods volheid niet kunnen doorgronden. Als Mozes, die zo dicht bij God stond, om meer vroeg, hoe kunnen wij dan denken dat we alles weten? Geestelijke hoogmoed is een gevaarlijke valkuil. Het verhindert ons om te blijven groeien in onze relatie met God. We moeten altijd nederig blijven, beseffend dat er altijd meer te leren is over Gods karakter en Zijn wil.

Jezus Christus is de ultieme openbaring van wie God is. In Hem hebben we een helder beeld van Gods karakter. Johannes zegt: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid” (Johannes 1:14). Jezus liet ons zien hoe God is: vol liefde, mededogen, genade, en waarheid.

Maar zelfs in Christus moeten we erkennen dat er een mate van mysterie blijft. Hoewel we in Hem de volheid van God zien, zullen we de diepte van Zijn wezen nooit volledig doorgronden. Dit betekent dat we, zelfs als we naar Christus kijken, nog steeds met nederigheid en verwondering moeten naderen.

Wat betekent dit alles praktisch voor ons leven? Het betekent dat we moeten leven in voortdurende afhankelijkheid van God. We moeten bereid zijn om onze eigen ideeën en concepten van wie God is los te laten, en ons in plaats daarvan te laten leiden door wat Hij Zichzelf over Zichzelf openbaart in de Schrift.

Dit vereist een dagelijks wandelen met God in geloof. Het vereist dat we onszelf blijven voeden met Zijn Woord, blijven bidden om Zijn leiding, en blijven groeien in onze relatie met Hem. Het betekent ook dat we bereid moeten zijn om onze beelden van God te laten corrigeren door de werkelijkheid van Zijn aanwezigheid.

Broeders en zusters, laten we niet in de val lopen van het maken van een “beeld” van God, zelfs niet in onze gedachten. Laten we God zoeken zoals Hij werkelijk is, niet zoals wij Hem zouden willen zien. Laten we ons vertrouwen stellen in de openbaring die Hij ons heeft gegeven, in Christus Jezus, en laten we met nederigheid en geloof wandelen in de kennis dat God altijd groter is dan wij kunnen begrijpen.

En bovenal, laten we ons herinneren wat Mozes uiteindelijk leerde: dat het zien van Gods heerlijkheid een kwestie is van genade. God is bereid om Zichzelf aan ons te laten zien, maar altijd op een manier die ons opbouwt en ons niet vernietigt. Laten we ons vasthouden aan die genade, vertrouwend dat, hoewel we nu misschien slechts een glimp zien, er een dag komt dat we Hem zullen zien zoals Hij is, en dat we in Zijn heerlijkheid zullen delen.

Moge God ons helpen om Hem te zoeken met een zuiver hart, zonder afgoden of valse beelden, en moge Hij ons leiden in de waarheid van Zijn Woord en de volheid van Zijn genade.

Amen.

Gebed :

Heer God, onze Almachtige Vader,

We komen voor Uw heilige troon, met nederige harten, in verwondering over Uw grootheid.

Zoals Mozes, verlangen wij ernaar om Uw heerlijkheid te zien, om U te kennen zoals U werkelijk bent.

Heer, vergeef ons wanneer we proberen U te beperken tot onze eigen beelden en ideeën.

Geef ons de genade om U te zien in Uw waarheid, en om onze gedachten te laten vormen door Uw Woord.

Leid ons, Heer, op de weg van nederigheid, opdat wij groeien in ons geloof en inzicht.

Laat ons vertrouwen in Uw genade, en U volgen met een zuiver hart, zonder afgoden of misleidende beelden.

In de naam van Jezus, die ons het perfecte beeld van U heeft getoond, bidden wij.

Amen.