Gemeente, broeders en zusters,
We kennen het allemaal: dat rustige, zelfverzekerde gevoel dat ons toefluistert dat het wel goed zit tussen ons en God. We hebben de juiste leer denken we, de belijdenissen zitten helder in ons hoofd, de dogma’s op orde. Of we zitten stevig ingebed in een traditie die we liefhebben, met liturgie, vormen en woorden die vertrouwd voelen. Of we hebben die ene ervaring meegemaakt waarin alles klopte — het gebed vloeide, het hart brandde, God was tastbaar. En dat alles kan goed zijn. Maar dan, op een dag, komt de leegte. De twijfel. Het breken. De vermoeidheid. En je merkt ineens: het systeem draagt niet. De woorden zijn er nog, de gewoonten zijn er nog, misschien zelfs het gevoel… maar de grond onder je voeten is weg.
En dan moet je je afvragen: waarop bouw ik eigenlijk mijn vertrouwen? Is het op de leerstellingen die ik kan opzeggen? Is het op de dingen die ik doe — mijn morele keuzes, mijn inzet voor het goede? Of is het op wat ik voel, mijn innerlijke ervaring, mijn geestelijke staat? Al deze dingen kunnen zinvol zijn — maar ze kunnen je niet rechtvaardigen. Ze kunnen je niet dragen. Ze kunnen je niet redden.
Het is precies dit wat Jezus messcherp blootlegt in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Lukas introduceert die gelijkenis met een zin die meteen de kern raakt: “Hij sprak tot hen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren, en alle anderen minachtten.” Zie je wat daar gebeurt? Zodra iemand denkt: ik zit goed met God omdat ik iets ben, iets weet of iets doe, ontstaat vanzelf een neerwaartse blik op de ander. Zelfvertrouwen in religieuze vorm leidt bijna onvermijdelijk tot minachting van zij die anders zijn of denken.
De Farizeeër is het toonbeeld van orde en zuiverheid. Hij bidt. Hij vast. Hij geeft tienden. Hij doet alles wat hoort. En wat zegt hij in zijn gebed? “God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen…” Let op: hij gebruikt Gods naam, maar hij bidt tot zichzelf. Hij looft zijn eigen vroomheid. Zijn geloof lijkt vol — maar het is leeg van afhankelijkheid. Hij vertrouwt, maar niet op genade — hij vertrouwt op zijn religieuze profiel. Op zijn moraal. Zijn leer. Zijn vorm.
En dat is precies waar het fout gaat. Je kunt een indrukwekkend gebedsleven hebben, een zuivere theologie, een consistente levensstijl — en toch totaal blind zijn voor je afhankelijkheid. Je kunt religieus piekfijn in orde zijn, en geestelijk dood. Je kunt bidden met al je kracht, en toch jezelf er alleen maar mee bevestigen.
Kijk dan naar de tollenaar. Hij heeft niets. Geen theologische bagage, geen zichtbaar vroom leven. En dat weet hij. Hij blijft achteraan staan. Durft zijn ogen niet op te slaan. Slaat op zijn borst. En zegt: “God, wees mij zondaar genadig.” Geen theologische verhandeling. Geen verdedigingsrede. Geen uitweg. Alleen een smeekbede. De tollenaar weet: ik kan alleen maar hopen op genade, of ik ben verloren.
En dan komt de schok: Jezus zegt dat niet de Farizeeër, maar de tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging. Niet de man met de juiste leer, de juiste daden en de juiste woorden — maar de man met het gebroken hart. Waarom? Omdat hij niets meer had om op te vertrouwen behalve God zelf. En dat is precies het punt. Alles waarop je zou kunnen steunen — zuivere theologie, rituelen, sterke ervaring — faalt op het moment dat het jouw fundament wordt.
Laten we dat scherp zeggen:
Dogma’s falen als ze geen route naar genade zijn, maar een muur om achter te schuilen.
Tradities falen als ze je de indruk geven dat je goed zit, terwijl je hart ver weg is.
Rituelen falen als je denkt dat ze waarde hebben zonder afhankelijkheid.
Geestelijke ervaringen falen als je ze verwart met zekerheid.
Alles faalt — behalve God.
De Farizeeër stond op zijn prestaties. De tollenaar viel op Gods genade. En alleen wie valt, wordt gedragen.
En dit is wat Jezus ons wil laten zien: vertrouwen dat redt, is vertrouwen dat zichzelf opgeeft. Het is loslaten van wat je weet, doet en voelt — en je laten vallen in de handen van Iemand anders. Niet je juiste leer redt je. Niet je praktijk. Niet je ervaring. Alleen God.
De Farizeeër had alles, maar verloor alles. De tollenaar had niets, maar kreeg alles. Want de één stond op zichzelf — de ander viel op God. Dat is geloof. Niet een prestatie, maar een overgave. Niet zekerheid over jezelf, maar over Hem. En dat is de enige houding die gerechtvaardigd naar huis gaat.
“Want door genade bent u gered, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is de gave van God. Niet uit werken, opdat niemand zou roemen.” Dit is de hamerslag van Paulus. Hier stort het hele bouwwerk van religieuze verdienste in. Geen enkel onderdeel van onze redding is uit onszelf. Zelfs het geloof niet. Het is niet iets wat wij uit eigen kracht produceren. Zelfs dát is een gave.
Laten we eerlijk zijn: diep vanbinnen geloven wij dat vaak niet. We zeggen wel: “alles is genade,” maar ondertussen denken we toch dat wij een kleine bijdrage leveren. Want we geloven “juist”, we bidden trouw, we leven netjes. En dáár komt een subtiel vertrouwen binnengeslopen. Niet openlijk, niet arrogant — maar als een warme zekerheid: ik zit goed, want ik ben gelovig, toegewijd, trouw gebleven.
Maar Paulus zegt: dat is onmogelijk. Het is allemaal genade. Zodra jij dus denkt dat jij zélf geloof genereert, verhef je iets van jezelf tot voorwaarde. Dan is genade geen gave meer, maar een beloning.
En dat heeft gevolgen. Want wie denkt dat hij zelf iets inbrengt, gaat vergelijken. Gaat oordelen. Gaat subtiel geloven dat zijn geloof dieper, zuiverder of completer is dan dat van een ander. En precies dat is wat Paulus in Romeinen 14:4 onderuit haalt: “Wie bent u dat u de huisknecht van een ander oordeelt?” Je bent geen meester. Je bent knecht. Net als de ander. En dan zegt hij iets prachtigs: “Maar hij zal staande gehouden worden, want de Heer is bij machte hem staande te houden.”
Hoor je dat? Niet jij houdt de ander overeind. Niet jouw analyse, niet jouw inschatting, niet jouw correctie. God zelf is bij machte hem staande te houden. Zelfs als jij denkt: die begrijpt het niet, die leeft te slap, die bidt te koel — God oordeelt, niet jij.
Toch gebeurt het in de praktijk voortdurend. In de VPKB, evangelische, charismatische kringen — iedereen meet. Iedereen weegt. We denken snel: zij zijn afgeweken, zij zijn oppervlakkig, zij missen diepte. Of nog subtieler: wij zijn trouw gebleven, wij hebben het vuur vastgehouden. Maar zodra dat denken ruimte krijgt, valt de genade weg als fundament. Want dan bouw je je vertrouwen op jezelf, op je geestelijke cultuur, op je eigen inzicht.
En dat is wat Paulus wil afbreken: alle roem, alle zelfzekerheid, alle geestelijke trots. “Opdat niemand zou roemen.” Roemen is niet altijd luidruchtig. Soms is het stil, zachtaardig verpakt in vroom taalgebruik. Maar het blijft roemen. Het blijft zeggen: ik heb iets wat jij niet hebt. En dan is het geen genade meer, maar een subtiel klasseverschil.
Je mag gedrag beoordelen, maar nooit de persoon. Waarom? Omdat jij de motieven niet ziet. Jij ziet de buitenkant — het gebed, de woorden, het gedrag. Maar God ziet het hart. En daar moet jij vanaf blijven. Zodra jij denkt: ik weet hoe het met hem staat, overspeel je jouw rol. Dan neem je plaats op een troon die niet voor jou bedoeld is.
En daar zit precies het venijn: je kunt mild lijken, en toch oordelen. Je kunt zeggen: “ik heb medelijden met hun geestelijke dorheid,” maar eigenlijk bedoelen: zij zijn niet zoals ik. En dan is je mildheid een gecamoufleerde hoogmoed. Dan ben je geen broeder, maar beoordelaar.
Maar als je werkelijk gelooft dat geloof een gave is — iets wat je zélf niet hebt voortgebracht — dan valt er niets meer te oordelen. Dan kijk je naar de ander zoals je naar jezelf kijkt: als iemand die leeft van ontvangen genade. Geen millimeter beter. Geen trapje hoger. Geen spirituele klasse hoger opgeleid.
En dat besef maakt je zacht. Echt zacht. Niet met een minzame glimlach, maar met een hart dat weet: ik heb niets wat ik niet ontvangen heb. Dan komt er ruimte voor liefde. Dan kun je de ander zegenen zonder hem eerst te wegen. Dan kun je de verschillen verdragen, zonder te relativeren of te domineren.
Dan sterft het vergelijken. Dan verdwijnt het meten. Dan is er alleen genade.
En dat is de bevrijding van het evangelie. Niet dat jij correct denkt, diep voelt of zuiver leeft — maar dat God jou staande houdt. En de ander ook. Zelfs als jij dat niet begrijpt. Zelfs als jij denkt: zo hoort het niet. God werkt met gebroken mensen, met verwarrende processen, met onzuivere verhalen. En dat is goed nieuws — want dan is er ook hoop voor jou.
Vergeet het niet: geloof is niet jouw bijdrage, maar jouw afhankelijkheid. Het is niet je religieuze prestatie, maar je geestelijke overgave. Geen bewijsstuk van innerlijke diepte, maar een lege hand die zegt: “Heer, als U mij niet redt, ben ik verloren.”
Dat is geloof. Dat is genade. En dat is waarom niemand mag roemen.
“Vertrouw op de HEER met heel je hart, en steun niet op je eigen inzicht”, staat er geschreven in het boek Spreuken. Het klinkt eenvoudig. En juist daardoor onderschatten we hoe radicaal dit is. Want wie van ons steunt niet op zijn eigen inzicht? Of op zijn gevoel? Of op zijn innerlijke overtuiging dat hij “weet” hoe God werkt?
We zijn vaak geneigd om vertrouwen te verbinden aan ervaren zekerheid. Als ik me rustig voel, als mijn hart stil is, als ik vrede ervaar in mijn keuzes — dan voelt dat als vertrouwen. Maar wat als dat wegvalt? Wat als het gebed droog wordt? Wat als de ervaring uitblijft? Wat als je gevoel zegt: ik voel God niet meer? Dan voel je je verloren. Maar misschien komt dat omdat je onbewust gesteund hebt op iets anders dan God.
Vertrouwen is geen gevoel. Het is geen stemming, geen innerlijke rust, geen emotionele bevestiging. Het is een keuze. Een overgave. Een leunen op Iemand die je soms niet voelt, niet begrijpt, niet ziet. En dus zegt Spreuken: “Steun niet op je eigen inzicht.” Let op: er staat niet “neem geen inzicht”, maar “steun er niet op”. Inzicht mag je gebruiken. Gevoelens mag je hebben. Maar ze dragen je niet.
Want laten we eerlijk zijn: onze gevoelens zijn grillig. Vandaag helder, morgen bewolkt. Vandaag vol vuur, morgen afgekoeld. Vandaag overtuigd, morgen in twijfel. En als jouw geloof drijft op die gevoelens, dan is het als een huis op drijfzand. Het stort in zodra de zon weg is.
Augustinus zei: “Geloof om te begrijpen.” Niet: begrijp eerst, voel intens, en dan komt er geloof. Maar: vertrouw eerst. Ook als je het niet voelt. Ook als je het niet begrijpt. Dus zelfs als je hart zegt: ik voel niets, zegt je geloof: maar God is trouw.
Daarom gaat Spreuken verder: “Ken Hem in al je wegen, dan zal Hij je paden recht maken.” Er staat niet: “begrijp alles en de weg wordt duidelijk.” Nee: Ken Hem. Leef met Hem. Blijf bij Hem. Ook als het donker is. En dan — dan maakt Híj jouw pad recht. Niet jij. Niet jouw helderheid. Maar Hij. Calvijn zegt: “Zelfs als wij het niet begrijpen, leidt God ons goed.” Dat is de bevrijding: je hoeft het niet te voelen om gedragen te worden.
En dat maakt geloof iets totaal anders dan wat wij er vaak van maken. Geen project. Geen prestatie. Geen intensiteit. Geen innerlijke beleving. Maar een hart dat zegt: “Heer, U bent er. Ook nu.” Geen glans, geen drama — alleen trouw vertrouwen.
Wat betekent dit concreet? Wat betekent het op maandagochtend, als je weer in je routine zit? Als je bidt en je gebed botst op een muur? Als je leest, maar niets binnenkomt? Als je je afvraagt: zit ik nog wel op het juiste spoor?
Het betekent dit: dat je mag rusten. Je hoeft jezelf niet te bewijzen tegenover God. Niet met je kennis, niet met je discipline, niet met je diepgang. Je mag toegeven: ik voel het niet, ik snap het niet, ik ben leeg. En dan klinkt daar het fluisteren van genade: “Mijn trouw hangt niet af van jouw gevoel. Mijn leiding hangt niet af van jouw heldere inzichten. Ik ben er. Ik blijf. Ik draag.”
Dat is geen vrijblijvende troost. Het is een fundamentele verschuiving van je fundament. Niet langer vertrouwen op je religieuze prestatie, je innerlijke kompas of je emotionele staat — maar op God alleen. Op Zijn belofte. Op Zijn trouw. Op Zijn karakter. Niet jouw ervaring draagt je — Hij draagt je.
En dat verandert ook hoe je naar anderen kijkt. Want als jij weet dat jouw geloof geen gevolg is van jouw diepte, maar van Gods trouw, dan kun je niet meer op anderen neerkijken. Dan zie je niet langer “oppervlakkige gelovigen” of “verwarde zoekers” — dan zie je broeders en zusters die net als jij gedragen worden door genade.
Dan wordt de kerk geen meetinstrument, maar een ontmoetingsplaats van bedelaars. Niet: wie weet het meest? Wie voelt het diepst? Wie doet het zuiverst? Maar: wie vertrouwt zich toe aan genade? Dat is de vraag die overblijft.
We zijn allemaal tollenaars. Ook als we eruitzien als Farizeeërs. We hebben allemaal de neiging om te steunen op iets wat wij beheersen: een leer, een ervaring, een gevoel van controle. Maar de enige die echt naar huis gaat met vrede, is degene die zegt: “Heer, ik heb niets. Alleen U.” Dat is geloof. Niet indrukwekkend. Niet vroom. Maar waar.
Dus — keer terug naar de vraag van het begin: waarop steun jij? Op wat je weet? Op wat je doet? Op wat je voelt? Of op Iemand die groter is dan al die dingen?
Alleen wie zich leegmaakt, wordt gevuld. Alleen wie loslaat, wordt gedragen. Alleen wie zijn geloof als bezit opgeeft, ontvangt het als gave.
Vertrouw op de HEER — met heel je hart.
En Hij zal je pad recht maken.
Laten we samen bidden.
Heer, onze God,
U kent ons zoals we zijn.
U kent ons verlangen om bij U te horen,
maar ook onze neiging om dat verlangen vast te zetten
in dingen die wij kunnen beheersen:
onze kennis, onze regels, onze tradities,
onze gewoonten, onze vormen.
En daarom bidden wij:
breek ons los, Heer.
Breek ons los uit het krampachtige vertrouwen
op wat wij weten, op wat wij doen, op wat wij voelen.
Want telkens opnieuw proberen wij
ons geloof vast te houden als iets van onszelf.
Maar U zegt: laat los. Vertrouw op Mij.
Wij bidden voor onszelf, en voor uw gemeente overal:
verlos ons van geestelijke trots,
van stille zelfzekerheid,
van het oordelen van anderen
op basis van vorm, taal of stijl.
Laat ons beseffen dat wij leven van genade alleen.
Geef dat we het durven toegeven:
dat onze geloofskennis ons niet redt,
dat onze rituelen ons niet dragen,
dat onze tradities ons niet behouden,
dat zelfs onze diepste ervaringen
geen garantie zijn van redding.
Laat ons vallen, Heer —
niet tot onze ondergang,
maar in de veilige armen van uw genade.
Laat ons niet steunen op het gevoel van zekerheid,
maar op de zekerheid van Uw trouw.
Wij bidden ook voor hen
die worstelen met twijfel, vermoeidheid of leegte:
voor wie zich verloren voelt in het geloof,
voor wie zich afvraagt of hij nog wel ‘goed’ genoeg is,
voor wie zich vergeleken voelt met anderen
en daardoor ontmoedigd raakt.
Heer, wilt U hen troosten
en laten zien dat U geen eisen stelt
voordat U redt —
maar dat U redt wie zich toevertrouwt,
zoals hij is, met lege handen.
En zo bidden wij, vol verwachting,
dat U in ons hart iets nieuws zal doen:
een vertrouwen dat niet gebouwd is op onszelf,
maar op U alleen.
In de naam van Jezus Christus,
die ons voorging in overgave,
en leeft om ons vast te houden,
bidden wij dit.
Amen.