Genesis 3 : Hoogmoed en nederigheid

Gemeente,

In het begin. In de hof die God had geplant. Daar staat hij. De slang. Niet zomaar een dier, niet zomaar een kruipend beestje. Maar een wezen met een geheim, met een verleden, met een macht die groter is dan wij vaak beseffen.

De Schrift zegt: “De slang nu was de listigste van alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had” (Genesis 3:1).

En daar moeten we even bij stilstaan. Want dat woord voor “dieren”? Dat is in het Hebreeuws חַיַּת (chayat). Dat betekent eigenlijk : levend wezen. Niet zomaar een beest, niet enkel een dom dier. Nee, het gaat om een levende, bewuste schepping van God. Dus wanneer de Bijbel zegt dat de slang de listigste was van alle chayat hasadeh – alle levende wezens van het veld – dan moeten we horen: dit was de slimste, de scherpste, de geslepenste van al het geschapene.

En dat woord “listigste”? In het Hebreeuws is dat arum. Het kan positief betekenen: verstandig, wijs. Maar hier krijgt het een donkere kant: sluw, berekend, geslepen. Niet open en eerlijk. Maar verborgen, verhuld, misleidend.

Dus de slang is niet zomaar een reptiel. Hij is een nachash. Dat Hebreeuwse woord kan inderdaad simpel vertaald worden als “slang”, maar het heeft nog veel meer lading. Het kan ook betekenen: fluisteren, bezweren, toveren. Het wijst naar een bovennatuurlijke macht. De slang in Eden was niet zomaar een kruipend beestje. Hij was een spiritueel wezen, een gevallen engel, een verleider die zich bediende van dit beeld.

En hier wordt het diep. Want in Jesaja 6 lezen we over de serafim. Hemelwezens die staan rondom Gods troon. Hun naam betekent: de brandenden, de vurigen. Serafim zijn troonwachters van de goden : in het midden-oosten werden zij afgebeeld als gevleugelde slangen. En zij roepen dag en nacht: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten.”

Diezelfde wortel – saraph – wordt in Numeri 21 gebruikt voor vurige, bijtende slangen die Israël in de woestijn aanvallen. Zie je het verband? De serafim en de slangen delen in het Hebreeuws eenzelfde klank, eenzelfde beeld. Het vuur, het brandende, het dodelijke.

Daarom hebben sommige uitleggers (Michael Heiser…) gespeculeerd : de slang in Eden was zo’n nachash seraph. Een gevallen seraf, een troonwachter (de slang met vleugels) die zijn plaats verliet. Ooit met vleugels, in vuur, bij Gods troon. Nu vernederd tot het stof.

Want dat is wat God zegt na de zondeval: “Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, alle dagen van uw leven.” (Genesis 3:14). Wat een vernedering. Van vleugels naar stof. Van de hemel naar de aarde. Van glorie naar schande.

Begrijp je, broeders en zusters? Dit was niet zomaar een slangetje in het gras. Dit was de eerste opstandeling, de eerste hoogmoedige, de eerste vijand van God en mens.

De slang was arum, de slimste van alle chayat. Slimmer dan de mens, slimmer dan alle schepselen. Maar zijn slimheid werd zijn val. Zijn hoogmoed deed hem struikelen.

En kijk hoe subtiel hij werkt. Hij komt niet met geweld. Hij brult niet. Hij zwaait niet met een zwaard. Nee. Hij fluistert zijn bezwering. Hij stelt een vraag. Hij zaait twijfel: “Is het echt zo dat God gezegd heeft…?” Zie je de list? Hij verdraait, hij draait om, hij legt druk op het hart.

Daar begint de zonde. Niet met moord, niet met diefstal, niet met geweld. Nee. Met twijfel. Met een fluistering. Met hoogmoed die zich verschuilt in een vraag.

En dit is een belangrijk punt : de slang is de eerste die zondigt. De eerste die zich verheft. De eerste zonde kwam niet van de mens, maar van boven, van een engel die viel. En die eerste zonde was hoogmoed.

Daarom moeten we dit goed begrijpen: als wij in Genesis 3 lezen over de slang, dan gaat het niet over biologie of dierkunde. Het gaat niet over een slang zoals wij die vandaag kennen. Het gaat over een diep geestelijk geheim: de val van een hemels wezen dat zich verhief tegen God en dat nu de mens meesleept in zijn val.

En zo wordt de hof van Eden een slagveld. Daar staat de mens. Daar staat de ‘slang’: de gevallen seraf, de tegenstander, de satan.

Dus als wij straks nadenken over de eerste zonde – hoogmoed – dan moeten we dit voor ogen houden: zij is geboren niet op aarde, maar in de hemel. Zij begon niet bij mensen, maar bij engelen. Zij is de oudste, de diepste, de gevaarlijkste van alle zonden.

Hoogmoed. Denk daar even over na. Wat is het? Het is dat ene stemmetje dat zegt: “Ik ben beter. Ik weet beter. Ik kan beter.” Het is de gedachte dat wij meer weten dan God. Het is het verlangen om op Zijn troon te zitten.

De profeet Jesaja schildert het scherp in hoofdstuk 14. Daar horen we de stem van de gevallen engel: “U zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon boven de sterren van God verheffen, ik zal mij gelijkstellen aan de Allerhoogste.” (Jesaja 14:13-14). Zie je dat? Dat is de kern van hoogmoed: ik zal… ik zal… ik zal.

Niet: Uw wil geschiede. Maar: Mijn wil geschiede.

Daarom is hoogmoed de eerste zonde. Omdat zij niet begint bij een daad, maar bij het hart. Zij is de bron waaruit alles vloeit. Hoogmoed is de wortel van afgoderij, van moord, van overspel, van leugen. Alles komt voort uit dit ene: dat de mens denkt dat hij God kan zijn.

En daarom is hoogmoed ook de ergste zonde. Want geen enkele andere zonde plaatst ons zo direct tegenover God. Spreuken 16:5 zegt: “Iedere hoogmoedige van hart is voor de HEERE een gruwel.” En Jakobus 4:6 voegt eraan toe: “God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.”

Begrijp je dat, broeders en zusters? God keert Zich ertegen. Niet: God negeert de hoogmoedige. Niet: God heeft wat moeite met de hoogmoedige. Nee. God keert Zich actief tegen de hoogmoedige. Want in hoogmoed steekt de mens zijn vuist omhoog en zegt: “Ik ben zelf god.”

En nu komt het dichtbij. Want hoogmoed is niet alleen iets van de duivel. Niet alleen iets van Adam en Eva. Nee. Hoogmoed zit in ons. In jou. In mij.

Hoogmoed is de zonde die we het makkelijkst herkennen bij anderen, maar het moeilijkst bij onszelf.

Kijk om je heen. Kijk in de kerk. Hoe vaak gebeurt het niet dat wij denken: ik weet het beter. We lezen de Bijbel, en we zeggen: ja, maar ik zie het anders. We horen een preek, en we zeggen: de dominee snapt het niet, ik weet het beter. Dat is hoogmoed.

Of we doen goede werken. We helpen anderen. We geven geld. En diep in ons hart klinkt die stille stem: daarom ben ik beter dan zij. Ik doe meer. Ik geloof sterker. Dat is hoogmoed.

Of denk aan gevoelens. Hoe vaak denken we niet: mijn beleving is de norm. Mijn emoties zeggen dat God dicht bij me is, dus het moet wel zo zijn. Of omgekeerd: mijn emoties voelen droog, dus God is ver weg. Zie je? Dat is ook hoogmoed. Want we zeggen eigenlijk: mijn gevoelens zijn betrouwbaarder dan Gods Woord.

Hoogmoed van het beter weten. Hoogmoed van het beter doen. Hoogmoed van het beter voelen. En dat alles in de kerk. Onder gelovigen. Onder ons.

Daarom moeten we eerlijk zijn. Dit gaat niet alleen over de slang. Dit gaat niet alleen over Adam en Eva. Dit gaat over ons hart. Want telkens wanneer wij onszelf in het centrum zetten, telkens wanneer wij zeggen: mijn wil, mijn gevoel, mijn inzicht, dan wandelen wij in de voetsporen van die eerste slang.

En weet je wat zo verraderlijk is? Hoogmoed vermomt zich. Zij draagt een masker. Zij kan eruitzien als ijver, als wijsheid, als geestelijke kracht. Maar in werkelijkheid is het het oude gif van Eden.

Kijk naar de Farizeeën in het Nieuwe Testament. Zij baden, zij vastten, zij kenden de Schrift. En toch zei Jezus: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel, maar van binnen bent u vol roofzucht en onmatigheid.” (Mattheüs 23:25). Wat was hun zonde? Hoogmoed.

Zij dachten: wij weten het beter, wij doen het beter, wij voelen ons heiliger.

En zeg nu eerlijk: is dat niet ook soms ons hart? Wanneer wij neerkijken op andere gelovigen? Wanneer wij denken dat onze kerk zuiverder is, ons geloof sterker, onze uitleg beter?

Hoogmoed is de oudste zonde. De diepste zonde. De meest dodelijke zonde.

Daarom moeten wij hier stilstaan. Want zolang wij de ernst van hoogmoed niet zien, zullen wij nooit de schoonheid van nederigheid begrijpen. Zolang wij niet erkennen dat wij allen besmet zijn met dit gif, zullen wij nooit de genezing zoeken bij Christus.

Dus stel jezelf vandaag die vraag: Waar zit hoogmoed in mijn hart? Waar denk ik dat ik beter weet, beter doe, beter voel dan anderen – of zelfs dan God?

Want dit is de harde waarheid: zolang wij in hoogmoed blijven leven, keert God Zich tegen ons. Maar als wij ons verootmoedigen, buigt Hij zich naar ons toe.

En nu moeten we dus naar de andere kant kijken. Niet naar hoogmoed, maar naar het tegenovergestelde. Niet naar de trots van de slang, maar naar de nederigheid van Christus.

Wat is nederigheid? Nederigheid is niet zwakheid. Nederigheid is niet onzekerheid. Nederigheid is de moed om jezelf te vergeten en de ander voorop te stellen. Paulus zegt het zo duidelijk in Filippenzen 2: “Doe niets uit eigenbelang of eigendunk, maar laat in nederigheid de een de ander uitnemender achten dan zichzelf.” (Filippenzen 2:3).

En dan wijst hij naar Jezus. Want Jezus is het grote voorbeeld van nederigheid. De Zoon van God, die alle macht had, die de hemel en aarde schiep, die alle eer verdiende – Hij legde alles af.

Paulus schrijft verder: “Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was: Die, in de gestalte van God zijnde, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen, en aan de mensen gelijk te worden.” (Filippenzen 2:5-7).

Zie je dat? Hij was God. Maar Hij werd mens. Hij was Heer. Maar Hij werd knecht. Hij was de Allerhoogste. Maar Hij boog zich neer in het stof.

En niet alleen dat. Hij ging nóg dieper. “En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis.” (Filippenzen 2:8).

Het kruis. Dat is de ultieme nederigheid. Want de kruisdood was de laagste, de schandelijkste, de meest vernederende dood van die tijd. En toch koos Jezus die weg. Niet voor Zichzelf. Maar voor ons. Voor jou. Voor mij.

Zie je de tegenstelling? De slang zei: ik zal opstijgen naar de hemel. Christus zei: Ik zal neerdalen tot in de dood. De slang wilde hoger. Christus ging lager. De slang wilde heersen. Christus wilde dienen.

Daarom is het kruis het antwoord op de hoogmoed. Daarom is het kruis de weg van nederigheid.

Maar nu komt het dichtbij. Want Jezus roept ons om Hem daarin te volgen. In Lukas 9:23 zegt Hij: “Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.”

Zijn kruis opnemen. Wat betekent dat? Het betekent dat wij dezelfde weg van nederigheid moeten gaan. Het betekent dat wij onszelf niet meer in het centrum zetten, maar Christus. Het betekent dat wij leren om de ander hoger te achten dan onszelf. Het betekent dat wij niet langer zeggen: mijn wil, mijn gevoel, mijn inzicht, maar: Uw wil geschiede.

En dat is zwaar. Want ons hart verzet zich. Ons vlees wil zichzelf verhogen. Onze natuur wil de eerste plaats. Maar het kruis roept tot ons: buig. Laat los. Geef jezelf over.

Jezus zelf zei: “Wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het behouden.” (Lukas 9:24). Dat is de paradox van het kruis. Wie zichzelf verhoogt (de gevallen seraf), zal vernederd worden. Wie zichzelf vernedert (de gekruisigde Christus), zal verhoogd worden.

En kijk hoe God reageert op die weg van Christus. Filippenzen 2 gaat verder: “Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en Hem een Naam gegeven boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.” (Filippenzen 2:9-10).

Zie je dat? Christus boog neer. En daarom verhief God Hem. Christus nam de laagste plaats. En daarom gaf God Hem de hoogste Naam. Zo werkt het in Gods Koninkrijk. Nederigheid gaat vooraf aan verhoging. Het kruis gaat vooraf aan de kroon.

En dit is ook ons pad. Als wij onze hoogmoed vasthouden, verliezen wij alles. Maar als wij onszelf vernederen, als wij ons kruis opnemen en Christus volgen, dan zullen wij eens delen in Zijn heerlijkheid.

Daarom klinkt vandaag de oproep. Niet alleen: bewonder de nederigheid van Christus vanop afstand. Maar: volg Hem. Ga achter Hem aan. Neem je kruis op.

Wat betekent dat voor jou, in je dagelijks leven? Misschien betekent het dat je leert luisteren in plaats van altijd te spreken. Misschien dat je toegeeft dat je het niet beter weet, maar dat je Gods Woord vertrouwt. Misschien dat je niet kijkt naar je eigen gevoel, maar dat je je vastklampt aan Zijn belofte. Misschien dat je niet zoekt naar eer van mensen, maar naar de goedkeuring van je Vader in de hemel.

Het kruis is niet comfortabel. Het kruis is geen sieraad. Het kruis is sterven. Sterven aan jezelf. Sterven aan je trots. Sterven aan je ik.

Maar achter dat sterven ligt leven. Achter dat kruis ligt opstanding. Achter die nederigheid ligt verhoging. Want Jezus zegt: “Wie zichzelf vernedert als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheüs 18:4).

Dus laat dit vandaag onze keuze zijn. Niet de weg van de slang, niet de weg van de hoogmoed, niet de weg van ik zal. Maar de weg van Christus, de weg van de nederigheid, de weg van het kruis.

En de vraag komt tot jou: ben jij bereid om je kruis op te nemen? Ben jij bereid om jezelf te verloochenen? Ben jij bereid om niet langer te zeggen: mijn wil geschiede, maar: Uw wil geschiede?

Dat is de weg van het Koninkrijk. Dat is de weg van Christus. Dat is de weg die leidt naar leven.




Voorbede

Trouwe God en Vader,
Wij danken U dat U Uw Woord tot ons liet komen.
Wij danken U voor de weg van Christus,
voor Zijn diepe vernedering,
voor Zijn kruis, dat ons leven is.

Heere, wij bidden U:
Breek onze hoogmoed.
Maak ons klein voor U.
Leer ons de ander uitnemender achten dan onszelf.
Vul ons hart met de nederigheid van Christus.

Wij bidden U voor Uw kerk, dichtbij en ver weg.
Bewaar ons voor de hoogmoed van het beter weten,
het beter doen,
het beter voelen.
Geef ons eenheid in de nederigheid van het geloof,
en maak ons tot een getuigenis van Uw liefde in deze wereld.

Wij bidden U voor de leiders van landen.
Zoveel hoogmoed regeert de aarde,
zoveel trots brengt oorlog en verdeeldheid.
Heere, buig harten van machthebbers,
opdat zij recht zoeken en vrede stichten.

Voor wie gebukt gaan onder zorgen.
Voor wie ziek zijn, of zich alleen voelen.
Voor wie rouwen, of gevangen zitten in schuld of schaamte.
Heere, wees hun nabij.
Laat hen ervaren dat U genade geeft aan de nederigen en hen verheft,
en dat Uw gerechtigheid de hoogmoedigen weerstaat.

En wij bidden U voor ons eigen leven.
Leer ons dagelijks het kruis opnemen.
Leer ons wandelen achter Jezus,
niet in trots,
maar in nederig vertrouwen,
tot de dag dat Hij terugkomt in heerlijkheid.

Zo leggen wij alles neer voor Uw troon,
in de Naam van Jezus Christus,

Amen.