Preek over 1 Samuel 30 : 1 – 25
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
‘Maar David achtervolgde hen, hij en vierhonderd mannen; maar tweehonderd mannen, die zó moe waren dat zij de beek Besor niet konden oversteken, bleven achter.’
Stel je voor.
Je komt thuis na een lange reis. Je bent moe, uitgeput. Je verlangt alleen maar naar rust. Maar dan zie je… rook. Vlammen. Niets meer overeind. Dat was Ziklag voor David en zijn mannen. Alles weg. Hun stad verbrand. Hun vrouwen, hun kinderen, hun bezit – alles meegenomen. En daar staan ze dan. Stille schaduwen in een rokende ruïne. De Bijbel zegt: “Ze huilden totdat ze geen kracht meer hadden om te huilen” (1 Samuël 30:4). Dat is niet zomaar een traan. Dat is het punt waarop je helemaal leeg bent. Waar je niet eens meer kúnt.
En dit waren geen watjes. Dit waren krijgers. Mannen die gewend waren te vechten. Maar zelfs de sterkste helden komen op een dag op dat punt: het is op.
David besluit: we gaan achter ze aan. We laten dit niet zo. En dus trekt het leger toch op. Maar dan komen ze bij de beek Besor. Een plek die later symbool zou staan voor iets groters dan alleen water. Daar gebeurt het: tweehonderd mannen kunnen echt niet meer. Niet omdat ze niet wíllen. Niet omdat ze opgeven. Maar omdat hun lichaam en geest stopt. Punt. De tekst zegt het simpel: “David ging verder met vierhonderd man; tweehonderd bleven achter, te moe om de beek Besor over te steken” (vers 10).
Hoor je dat? Ze waren niet minder trouw. Ze hielden net zoveel van David als de rest. Ze hadden dezelfde pijn, hetzelfde verlies. Maar hun benen en hun geest weigerden.
Misschien zit jij daar nu ook. Je kent die plek. Je hebt gestreden, gehuild, gegeven. Maar nu… is het op. Misschien door ziekte. Misschien door jarenlange zorg voor iemand anders. Misschien door rouw, door zorgen, door werk dat je leegzoog. En ja – soms zelfs door je geloofsleven. Je bidt nog, maar het voelt droog. Je leest nog, maar het blijft aan de oppervlakte. Je bent er nog, maar diep vanbinnen ben je moe. Zo moe dat zelfs één stap verder voelt als een marathon.
De wereld snapt dat niet. Onze cultuur meet alles in prestaties. Je waarde zit in wat je doet, wat je bereikt, hoe nuttig je bent. “Hoe gaat het?” betekent vaak: “Wat heb je gedaan?” En als je even stilstaat, val je heel snel uit de aandacht. Wie stopt, verliest. Wie achterblijft, telt niet mee.
Maar hier, bij deze beek, laat God iets van Zijn Koninkrijk zien. Een Koninkrijk dat alles omdraait. Bij Hem gaat het niet om wat je presteert. Zijn vraag is niet: “Wat heb je gedaan?” Zijn vraag is: “Hoor je bij Mij?” De meetlat van de hemel is geen lijst van prestaties, maar een liefdeslijst.
Psalm 147:10-11 zegt: “Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard, geen welgevallen in de benen van de man. De HEERE vindt welgevallen in wie Hem vrezen, in wie op Zijn goedertierenheid hopen.” Met andere woorden: Hij wordt niet blij omdat jij zoveel kunt, maar omdat jij op Hem vertrouwt.
Dat is vrijheid. Want als Gods liefde van jouw prestaties afhing, zou Zijn liefde wankelen elke keer dat jij minder kon. Maar Zijn liefde staat vast. Omdat het niet op jou gebouwd is, maar op Hem.
Jesaja 40:29-31 zegt: “Hij geeft de vermoeide kracht en vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft… maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen.” Let op: daar staat niet “Wie zichzelf weer oppeppen, worden sterker.” Nee. “Wie de HEERE verwachten.” Hij geeft kracht. Hij is de bron.
Misschien voel jij je vandaag één van die tweehonderd. Je kijkt de anderen na die wel doorgaan. En ergens fluistert er iets: “Ben ik nog wel bruikbaar voor God?” Maar dit verhaal laat zien: ja! Die mannen bleven deel van het leger. Ze hoorden erbij. Hun plaats in het plan van God hing niet af van hoe ver ze konden lopen. Ze waren niet minder geliefd, niet minder van waarde.
Hoor dit goed: God schrijft je niet af omdat je minder kunt dan vroeger. Je bent nog steeds Zijn kind. In Zijn ogen ben je net zo waardevol als in de tijd dat je bergen verzette. In de wereld lijk je misschien uit de race. Maar in Zijn Koninkrijk verandert jouw waarde nooit. Want die was nooit gebouwd op je prestaties. Alleen op Zijn genade.
De beek Besor is een grens. De grens van menselijke kracht. Maar ook de grens van menselijke waardering. De wereld zegt: “Wie stopt, verliest.” God zegt: “Wie bij Mij hoort, hoort altijd bij Mij – ook als hij moet stoppen.”
Soms is het genade om bij de beek Besor te blijven. Want daar leer je iets dat je niet leert als je altijd maar doorrent. Daar ontdek je dat je identiteit niet zit in wat je doet, maar in wie je bent in Christus. En dat is het fundament dat niet wankelt. Zelfs niet als je benen je niet meer dragen.
Dus, als jij vandaag aan de kant zit, moe, zonder kracht, onthoud dit: God kijkt niet naar hoeveel jij produceert. Hij kijkt naar je hart. Hij zegt: “Je hoort bij Mij. Je bent van Mij. En dat verandert nooit.”
Het moment waarop David en zijn vierhonderd mannen terugkeren met de buit, lijkt op het eerste gezicht een moment van feest. Alles is teruggevonden: vrouwen, kinderen, goederen – zelfs extra vee. Het gevaar is geweken, de vijand verslagen. Einde goed, al goed… toch?
Maar dan gebeurt er iets onverwachts. Niet bij de Amalekieten. Niet bij de vijand. Maar in het eigen kamp.
We lezen in 1 Samuël 30:22: “Toen namen alle slechte en verdorven mannen van de mannen die met David meegegaan waren het woord en zeiden: Omdat zij niet met ons meegegaan zijn, zullen wij hun niets geven van de buit die wij teruggebracht hebben, behalve dat ieder zijn vrouw en kinderen meeneemt en weggaat.”
Let op hoe de Schrift hen noemt: “slechte en verdorven mannen” – sommige vertalingen zeggen zelfs “goddelozen.”
Hun redenering is eenvoudig. Werelds. Wie niet meevocht, heeft niets verdiend. Hun meetlat is de meetlat van prestatie. In hun ogen waren de tweehonderd achterblijvers passieve ‘losers’. Geen recht op de overvloed die was meegebracht.
En die stem? Die horen we vandaag nog steeds.
De stem die zegt: “Je moet je plek verdienen. Je moet je waarde bewijzen. Je krijgt alleen wat je zelf hebt verdiend.” Het is de stem van deze maatschappij waarin we leven.
De stem die zelfs in de kerk kan klinken: “Hij is al maanden niet geweest, dus waarom zou hij erbij horen?” of “Zij heeft niet geholpen, dus waarom zou zij iets ontvangen?”
Maar hier, midden in Davids kamp, openbaart zich het hart van Gods Koninkrijk.
David antwoordt in vers 23-24: “U mag zo niet doen, mijn broeders, met wat de HEERE ons gegeven heeft. Hij heeft ons bewaard en deze bende die tegen ons kwam, in onze hand gegeven. Wie zou in dit opzicht naar u luisteren? Want zoals het deel is van hem die ten strijde trok, zo zal het deel zijn van hem die bij de bagage bleef: zij zullen samen delen.”
Zie je hoe radicaal dit is? David zegt eigenlijk: “Dit is niet onze buit. Dit is Gods buit. En God deelt anders uit dan mensen.”
Het gaat hier niet om verdienste, het gaat om genade. En genade wordt altijd gegeven, nooit verdiend.
Jezus vertelt in Mattheüs 20:1-16 over arbeiders in een wijngaard. Sommigen werkten de hele dag, anderen pas het laatste uur. Maar aan het einde… iedereen hetzelfde loon. De eersten mopperen: “Wij hebben meer gewerkt, wij verdienen meer.” Maar de eigenaar zegt: “Mag ik niet met het mijne doen wat ik wil?”
Dat is de logica van het Koninkrijk: niet prestatie, maar genade.
Paulus zegt in 1 Korinthe 1:27-29: “Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen. Het onedele van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is te niet te doen, opdat geen vlees voor Hem zou roemen.”
Met andere woorden: God draait de wereldse meetlat om.
David laat hier zien dat hij een ander soort koning is. Niet gebouwd op menselijke verdienste, maar op goddelijke voorzienigheid. En precies daarin is hij een voorafschaduwing van de ware Koning – Jezus Christus. Want Jezus is Degene die de buit van Zijn overwinning – verlossing, eeuwig leven, vergeving – uitdeelt aan mensen die niets konden bijdragen aan de strijd.
Laten we eerlijk zijn: wij zijn allemaal geestelijk gezien die tweehonderd bij de beek Besor. Machteloos tegenover de vijand van onze ziel. Geen kracht om te vechten tegen zonde en dood. Efeze 2:8-9 zegt: “Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.”
In Gods Koninkrijk is er geen plek voor opscheppen. Niemand heeft iets verdiend – alles is ontvangen.
En dat betekent dit: zodra wij in ons hart of in de kerk mensen gaan meten met een prestatiemeetlat, staan wij ineens aan de kant van de “goddelozen” in dit verhaal.
Want de geest van Christus zegt: “Zij zullen samen delen.” De geest van de wereld zegt: “Zij krijgen niets.”
Laten we ook niet vergeten: in Gods Koninkrijk gaat het altijd om de gemeenschap van het volk, niet om de glorie van het individu. De vierhonderd konden alleen winnen omdat de tweehonderd de bagage bewaakten. In Gods plan heeft iedereen een plaats – ook als die plaats minder zichtbaar is.
Jezus leefde precies zo. Hij raakte de melaatsen aan. Hij at met tollenaars en zondaars. Hij ontving kinderen in Zijn armen. Alles wat de samenleving als “minder waard” beschouwde, zette Hij in het midden. En zo zei Hij in Lukas 13:30: “En zie, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.”
Dus als we dit verhaal lezen, moeten we onszelf eerlijk afvragen: Lijken mijn gedachten meer op die van de vierhonderd goddelozen, of op die van David, de genadige koning?
In de hemel is er geen VIP-afdeling voor de sterksten. In de hemel eten we allemaal van hetzelfde brood, drinken we allemaal uit dezelfde beker, ontvangen we allemaal uit dezelfde hand – de hand van Christus.
Daarom is dit verhaal niet alleen geschiedenis, maar ook profetie. Het wijst vooruit naar de dag waarop Jezus, de Overwinnaar, terugkomt en zegt: “Kom, gij gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is.”
En wij zullen weten: niet omdat wij zoveel gepresteerd hebben, maar omdat Hij alles voor ons gedaan heeft.
Het Koninkrijk van God is een omgekeerde wereld. Hier krijgen de laatsten dezelfde beloning als de eersten. Hier wordt de zwakke geëerd. Hier wordt de arme rijk. Hier wordt de zondaar gerechtvaardigd. Hier wordt de loser erfgenaam van een Koninkrijk.
Jezus zegt in Lukas 6:20: “Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.”
En misschien is dat wel de kern van deze geschiedenis: het Koninkrijk wordt niet bewoond door mensen die zich naar binnen hebben gewerkt, maar door mensen die naar binnen zijn gebracht door de genade van de Koning.
En dit vraagt iets van ons. Als wij zo vrijelijk ontvangen hebben, kunnen wij anderen dan weigeren? Als wij dankzij genade mee-delen, kunnen wij anderen dan meten naar prestatie? Het antwoord is toch duidelijk: nee! Wie genade ontvangt, moet genade uitdelen.
Zo sluit het verhaal van de beek Besor af met een wet die David “vanaf die dag en voortaan” instelde: wie streed en wie bleef, zouden samen delen.
Het werd een blijvend principe in Israël — en het is een blijvend principe in het Koninkrijk van God.
Dus, broeder, zuster, misschien sta jij vandaag bij de beek Besor. Misschien kijk je toe hoe anderen lijken te “winnen” in hun geloof, terwijl jij alleen maar de bagage bewaakt. Misschien voelt het alsof jij geen bijdrage levert.
Maar hoor vandaag de stem van de Koning: “Jij hoort erbij. Jij deelt mee. Jij ontvangt uit Mijn hand, net als ieder ander.”
En op de grote dag, als Jezus terugkomt in heerlijkheid, zullen wij allen aan één tafel zitten: de sterke en de zwakke, de eerste en de laatste, de strijder en de achterblijver. En dan zal uit ieders mond dezelfde belijdenis klinken: “HEERE, alle eer is aan U. U hebt alles gedaan.”
Voorbeden
Laten wij samen danken en bidden:
Heere onze God, trouwe Vader in de hemel,
Wij danken U dat wij in Uw huis mochten horen dat het niet onze prestatie is die telt, maar Uw genade. U draagt ons, juist wanneer wij zwak zijn. U sluit ons in, ook als wij niet meer mee kunnen. Dank U voor het evangelie van Jezus Christus, dat ons telkens weer troost en vernieuwt.
Wij bidden voor allen in onze gemeente die moe zijn, uitgeput, of vastgelopen. Voor hen die lijden onder ziekte, pijn of depressie. Voor hen die het gevoel hebben dat ze niet meer mee kunnen. Heere, ontferm U en geef dat zij mogen ervaren dat U juist hen draagt en insluit in Uw liefde.
Wij bidden voor wie rouwt om het verlies van een geliefde. Wees hen nabij met Uw troost. Geef dat ze de hoop mogen vasthouden dat niets ons kan scheiden van Uw liefde in Christus Jezus.
Wij bidden voor de jongeren en kinderen van de gemeente. Geef dat zij al vroeg leren dat hun waarde niet ligt in prestaties of succes, maar dat zij geliefd zijn door U. Bescherm hen in een wereld die vaak harde maatstaven hanteert, en leer hen de weg van Uw genade.
Wij bidden voor onze samenleving, waar zoveel mensen onder druk staan en moe worden van de eisen die gesteld worden. Wil U rust en hoop geven. Geef wijsheid aan hen die leiding hebben: in de overheid, in onderwijs, in zorg en economie. Laat recht en barmhartigheid hun beslissingen leiden.
Wij bidden voor Uw wereld, waarin zoveel onrust en geweld is. Wij denken aan de vele landen waar oorlog en haat regeren, waar mensen op de vlucht zijn of geen toekomst zien. Heere, ontferm U. Laat Uw vrede komen, en geef moed en trouw aan allen die werken voor gerechtigheid.
Heere, wij leggen ons leven in Uw hand. U kent ons beter dan wij onszelf kennen. Vul ons met Uw Geest, zodat wij elkaar vasthouden en samen als gemeente leven uit Uw genade.
Amen